Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

men als överflikkering van menschelijk vernuft na korten tijd van glorie weer zien verbleeken en verdwijnen; — de nieuw aanvaarde leuze maakte het recht van al die fantasieën los, wilde den arbeid van den jurist bepalen tot eene scherp begrensde reëele materie. En de wijsbegeerte des rechts deed weinig moeite die vruchtbare rust weer te verstoren: de haar toegewezen bescheiden plaats liet ze zich welgevallen, — in overbescheidenheid zwijgt ze thans bijna geheel. Aan meer dan eene academie werd de rechts philosophie uit de series lectionum geschrapt.

En toch, die rust, hoe welverdiend, hoe vruchtbaar ook, lang heeft ze niet bestaan. Geen inval van buiten bedreigt meer de grenzen van het positieve recht, — eene enkele strooptocht van psychologische of van sociologische zijde daargelaten, — maar in eigen kring is onrust ontstaan: wèl schijnt men bij geheugenis den omvang van het arbeidsveld te kennen, doch op de vraag naar de grensteekenen volgt een verward en verwarrend bescheid. Nog klinkt in éenstemmig koor de afkeer van wie zich jurist noemt of waant tegen al het irrieëele, het fantastische in de rechtsstudie, dat vroegere geslachten bij voorkeur scheen te boeien; boven allen uit klinkt grimmig het geblaf van den waakhond voor het erf van het positieve recht tegen alles, wat als benoemd, anoniem, of speudoniem natuurrecht het gewijde terrein der positiviteit durft naderen. Ik bedoel Dr. Karl Bergbohm. Die eensgezindheid naar buiten dekt evenwel niet langer de verwarring in eigen midden, het gemis aan iedere overeenstemming omtrent vragen, die een antwoord eischen in welk deel der

Sluiten