Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

sing te zoeken, zöö, dat de staat-wetgever niét, de staat-uitvoerder wèl aan het recht zou zijn gebonden, is het eenerzijds prijsgeven, anderzijds handhaven van de noodzakelijke eenheid der staatsgedachte. Had niet reeds Rousseau deze voorstelling spottend vergeleken met een toer van Japansche goochelaars, die voor de oogen der toeschouwers de uitééngescheurde ledematen van een kind zouden in de lucht werpen, om het levende kind in zijn geheel weer op te vangen. Neen, is het staatsgezag, als bron van recht, eerste gegeven, dan is eene constructie niet mogelijk, die rechtelijke gebondenheid weder denkbaar maakt. Alleen dan, wanneer het recht als eenige bron van staatsgezag wordt erkend, is het verklaarbaar, van zelf sprekend, dat willen en handelen van den staat aan het recht is onderworpen. De van ouds gehuldigde gelijkstelling van staat en burger in het private recht verschijnt dan in het ware licht, en wordt door enkele afwijkingen ten gunste van den staat, den bewaker van het algemeene belang, niet geschaad. Dan wijkt ook de leer van den ouden politiestaat, alsof het staatsgezag tot iedere handeling zou zijn bevoegd, welke de wet niet verbiedt; integendeel, iedere handeling der overheid eischt dan wettelijken grondslag. De administratieve rechtspraak eindelijk is dan niet eene practische gedachte ter verwezenlijking van een beter staatsbestuur, maar een logisch noodzakelijke rechtseisch, die het rechtelijk karakter van het publiek recht zal doen te voorschijn treden *).

Is zoo de leidende gedachte van de leer der rechtssou-

*) Cf. Prof. H. Krabbe, Die lehre der Rechlssouveranitat, 1906.

Sluiten