Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Reeds te lang vroeg ik, naar ik vrees, Uwe aandacht voor deze excursie in de voor velen grauwe nevelen der juridische begrippenleer. Ik weet, dat de practische jurist dergelijk theoretische beschouwingen veelal met zekeren schroom terzijde legt, of, zoo hij zich eens aan hare kennisneming heeft gewaagd, aan het slot hem de zucht ontglipt: „Da steh' ich nun, ich armer Thor, und bin so klug, als wie zuvor." Daarom wil ik niet laten, te wijzen op een tweetal practische conclusies, waartoe mijne theoretische beschouwingen over het positieve recht, naar ik meen, den grondslag hebben gelegd. Vooreerst de noodzakelijkheid eener historische beoefening van het staatsrecht. Is toch het positieve recht niet een geheel van regelen, dat den jurist pasklaar wordt voorgelegd, steunt zijne gelding niet slechts op zijne normale rechtskundige ontwikkeling, maar bovendien op eene reeks historische feiten, die onder tal van invloeden den normalen rechtsgang hebben aangevuld en verbroken, dan kan het den voorgangers der juridische school niet worden toegegeven, dat historische onderzoekingen onverschillig zouden zijn ter volledige vaststelling en beheersching der positieve rechtsstof. In de tweede plaats, kan het positieve recht een beroep op zijne verbindendheid niet anders steunen dan op historische feiten, die aan machtsuitingen, gewoonten, regelen, zonder rechtskundigen achtergrond het rechtskarakter hebben gegeven, dan kan ook niet a priori de rechtskundige beteekenis worden geloochend van die talrijke gebruiken, „conventions" in het staatkundige leven, — die vooral in den parlementairen regeeringsvorm van zoo grooten

Sluiten