Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

hooge taak die mij wacht, zeker niet geringer is dan gij die wenscht.

Zoo spreek ik ook tot U, Mijne Heeren Curatoren, wier aanbeveling mede mij bracht uit een vrijwel duisteren achtergrond in het volle voetlicht der wetenschap. Was het weinig, waarop gij Uw vertrouwen in mij kondt steunen, dat weinige moet tot U hebben gesproken als een krachtig willen, waar het gold, de waarheid te zoeken zonder voorbehoud, anders hadt gij mij niet aanbevolen. Aan dat vertrouwen, zeg ik U toe, te zullen beantwoorden.

En gij Mijne Heeren Professoren, thans mijne collega's. Het zal U niet verwonderen, zoo ik in dit plechtig oogenblik mijne begroeting tot U gepaard laat gaan met een woord van erkentelijkheid tot Leidens Hoogeschool. Wat U, Mijne Heeren leden der rechtsgeleerde faculteit, den moed gaf, mij hier in Uw midden te roepen, ik ontving het ginds; dankbaar herdenk ik die kweekplaats van hoog wetenschappelijke studie, het oude klooster aan het Rapenburg te Leiden. En wanneer ik hier geroepen wordt tot studievakken, welke in den werkkring, dien ik verliet, gewoonlijk worden verwaarloosd, wanneer ik mijne liefde voor het staatsrecht, nadat ik de academie verliet, heb behouden en gekweekt, dan dank ik dat geheel aan hem, die in Leidens katheter ons studenten tot dat deel van het recht zoo onweerstaanbaar wist te trekken. Maar veel mèer dank ik U, Professor Oppenheim : ik kan en wil het niet zeggen, wat gij, als leermeester

Sluiten