Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Blad/.

§ 3. Oorzaak van de onreinheid des doods.

Verschillende verklaringen. Zij bevredigen niet, 124v Voorbereiding van onze verklaring: I. Anthropologisehe voorstellingen, 125—127; II. 's Menschen toestand na den dood, 128v. Het vasten geldt de aanwezigheid van den doodengeest. 129. Vergelijking van de Israëlietische en animistische voorstellingen, 129—132. De onreinheid spruit voort uit de aanwezigheid van den doodengeest, 133. Verhouding van de nabestaanden tot den doodengeest.

Beteekenis van de onreinheid voor de nabestaanden. 133. ... 124-133

§ 4. Oorspronkelijke reden van het doodenvasten.

Verschillende gevoelens, o.a. van J. C. Matthes,

134. Onjuistheid van deze. „Men vast uit vrees voor den doodengeest" is onvoldoende verklaring,

135. Verwantschap der begrippen onrein en heilig. Overeenkomst en verschil, 135v. Doodenvasten geschiedt uit vrees voor schadelijke invloeden van den doodengeest, 136. Het standpunt van K. Grüneiseu, 136v. Booze geest en doodengeest bij natuurvolken en in Israël. Hun karakter en macht, 137v. Beden voor het doodenvasten. Overeenstemming met de animistische theorie, 139. 134 139

§ 5. Oorsprong van het doodenvasten.

Algemeene opmerkingen. Hypothetisch karakter van het resultaat. 139. Bepaling van den oorsprong door vergelijking met de animistische theorie, 140v. De doodenverzorging in Israël. Bewijsplaatsen, 141v.

o. a. Deut. 26 : 14; Tobith 4 : 17, 142v. — Sir.

7 : 33, 143 — Sir. 30 : 18 (32 : 161, 144v. — Est. 9 : 19; Josefus, Oorl. 2 : 1 > 1 : bespreking en emendatie, 146— 150. Resultaat, 150 139 150

§ 6. Besluit.

De aangegeven reden niet toepasselijk op de voorbeelden in 't O. T., 150. De ritus als rouwgebruik sterft uit, 151; leeft voort als onthouding van onrein

geworden spijs, wat blijkt uit latere gebruiken,

150-152

Sluiten