Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

liaben und sie also Entbehrung erleiden mussen, da ziemt es den hinterbliebenen Blutsverwandten nicht in Ueberflusz zu leben un(i wird Enthaltsamkeit zur Pflicht. Daher also das Fasten. die Enthaltung vom Genusz bestimmter Speisen und der Gebraucli von weiniger geschiitzter Nahrung "')

Dat men oudtijds vastte na een sterfgeval moet dus volgens Wil ken zoo verklaard worden, dat de nabestaanden het niet gepast ronden op de gewone wijze het leren voort te zetten, zoolang niet het doodenoffer was gebracht; vastte men niet, dan stelde men zich bloot aan het gevaar dooiden afgestorvene te worden vervolgd en gekweld.

3. Verklaring van J. G. Frazer.

In ,.de denkvorm, waardoor alle lagere natuurgodsdiensten

bepaald worden" bestaat liet geloof „dat de geesten

vrij rondwaren op aarde en in de lucht en zich hetzij

tijdelijk, hetzij bestendig eene woning kunnen kiezen in een of ander levend of levenloos voorwerp." 2)

Geldt dit van de geesten in het algemeen, het is in zekeren zin ook van toepassing op de zielen der afgestorvenen, die. zoolang niet het noodige gedaan is hen tot rust te brengen, hetzij in de nabijheid van het graf blijven, of terugkeeren naar de woning, waar zij vroeger leefden. En daar, zoolang zij aanwezig zijn. de nabestaanden bun invloed vreezen. en men gelooft, dat deze uitgaat door middel van alles, wat met den doode in betrekking heeft gestaan, worden onderscheiden gebruiken in acht genomen, om den doodengeest van zich verre te houden en hem ten aanzien van de personen der nabestaanden te misleiden. Uit dit beginsel is wellicht menig rouwgebruik te verklaren. Men laat alles na, wat den doodengeest zou kunnen prikkelen, en wendt middelen

') 1. c. 1887 I, S. 350.

s) C. P. Tiele, Inleiding tot de Godsdienstwetenschap, 2e druk, I, b'z. 67.

Sluiten