Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

gaan, om de eenvoudige reden, dat Wilken en Spencer van verschillende veronderstellingen uitgaan. Wanneer de eerste liet den laatste niet kan toegeven, dat liet vasten, als natuurlijk gevolg van de strenge doodenoffers, dus ,.ganzlich unwillkiirlich" is kunnen ontstaan, dan heeft dit zijn reden in het uitgangspunt van \\ ilken, dat ,.vom Beginn an schon das l1 asten den Todtenopfern vorangegangen sein musz, weil die Geister das ilire noch nicht empfangen hatten. und es nöthig war, sie auf solche Weisc zur Milde zur Naclisicht zu stininien"1) m. a. w., Wilken laat slechts dan de mogelijkheid van ontstaan voor het vasten open, wanneer het doodenoffer werd uitgesteld. Toen het offer dadelijk na de begrafenis plaats had, was er volgens W. geen reden tot vasten; volgens Spencer wel tot honger lijden. — Geen waarde heeft het argument van Wilken, dat op Spencer's standpunt de aanleiding tot liet vasten „ganzlich unwillkiirlich zou zijn. 2) Heeft het gebruik daar niet zijn noodzakelijk antecedent in het doodenoffer?

^ ij meenen daarom tot liet oordeel gerechtigd te zijn, dat de kritiek van W. Spencer s theorie in zooverre niet treft, omdat beider uitgangspunten verschillen. Behoeft dus door deze kritiek Spencer's verklaringswijze niet te vallen, evenmin mag daarom besloten worden tot volstrekte verwerping van wat Wilken als uitleg van het vasten geeft. Terwijl Spencer toch bedoelde ons den oorsprong van het vasten aan te wijzen, geeft Wilken een reden voor liet reeds bestaande vastengebruik. Terwijl de eerste wilde aantoonen, hoe het vasten zijn oorsprong moet hebben genomen in een primitief spontaan gebracht doodenoffer, waarbij volstrekte vernietiging van eigendom plaats greep, bespreekt de laatste het gebruik op dat standpunt, waarop reeds op middelen wordt gezonnen, om op de meest eervolle wijze de verplichtin-

') Rev. Col. Intern. 1887 I, S. 351. Anm. 32. ") 1. c.

Sluiten