Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

vrees voor liet bovennatuurlijke, in de tweede met een vasten, dat den mensch innige gemeenschap met die sfeer moet mogelijk maken.

Zoo geschiedt elk vasten, waar het als historisch verschijnsel tot ons komt, in betrekking tot het bovennatuurlijke, en is juist daarom een godsdienstige daad. Maar er is groul verschil in de wijzen, waarop de mensch van verschillende tijden en volken zich dat bovennatuurlijke heeft gedacht. Het vasten, als een der vormen, waarin die betrekking tot liet bovennatuurlijke wordt uitgedrukt, ontleent dan ook zin en beteekenis aan den aard dier betrekking. De verhouding nu van den mensch tot bet bovennatuurlijke komt tot uitdrukking in zijn godsdienst. Naar gelang van ziin godsdienst hecht de mensch dus ook een verschillende beteekenis aan het vasten. Hier geldt de wet van de éénheid van den menschelijken geest. Wanneer door kennismaking met een anderen hoogeren godsdienstvorm of ten gevolge van zelfstandige ontwikkeling een volk (of een persoon) het gebrekkige en onvolkomens van zijn vorm van godsdienst heeft leeien inzien, daar volgt niet noodzaak het streven, eigen wijze van Godsvereering aan het nieuwe inzicht adaequaat te maken. Waar de godsdienst een andere is, daar is ook de beteekenis van de godsdienstvormen een andere. Op die wijze is de reden van het vasten in overeenstemming met en afhankelijk van het godsdienstig standpunt van den vastenden mensch. Itit laatste blijkt voor de verschillende volken zeer verschillend te zijn. Toch kan men spreken van een ontwikkeling van de godsdienst, juister van den godsdienstigen mensch. Hieronder verstaat men natuurlijk niet. dat de godsdienst zich langs één bepaalde lijn, van dit op dat volk ontwikkelt, zoodat ook de schakels van den keten met zekerheid bij dit of dat volk zouden kunnen worden aangewezen, onder ontwikkeling van de godsdienst verstaan wij de onafgebroken voortgang der verheldering van het menschelijk

Sluiten