Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

der rouwgebruiken gehad, dan was er juist in 2 Sam. 12 aanleiding liet \ asten in toepassing te brengen.

Moet dus de verklaring der „Nichttrauer" van David. door 1' rey gegeven, van de hand worden gewezen, dan geldt dit ook van de gevolgtrekking, door hein uit die opvatting afgeleid, dat „beim Eintritt eines Todesfalles das Geschick, welches den Verstorbenen betroffen, betrauert wurde."

Maar ook om andere redenen dan de genoemde kan dit oordcol van !• rey niet worden aanvaard. Vooreerst omdat ter verklaring van vasten na een sterfgeval steun gezocht wordt in een tekst (2 Sam, 12 : 15\\), die geen vasten op dat tijdstip noemt. En voorts, al ware de verklaring van Frey aangaande liet niet-vasten van I). na den dood van zijn kind de juiste, d. w. z. liet David het vasten na. omdat hij inzag, dat hij. en niet zijn kind in dat sterfgeval getroffen werd, dan volgde daaruit nog volstrekt niet het omgekeerde, dat nl. overal, waar dan wel gevast werd na liet intreden van den dood, daarmede „das Gesehick, welches den Verstorbenen belroffen, betrauert wurde. De ontkennende gevolgtrekking, die Frey zou mogen maken, is nog niet het positief result,iat. dat hij ons voorhoudt. Ook een andere grond zou in dit geval bestaan kunnen hebben voor liet vasten na een sterfgeval.

Zoo wijzen wij af, wat Frey als grond van Davids nietvasten na den dood van zijn zoon opgeeft, om te handhaven, wat een eenvoudige lezing der pericope ons leert, hoe nl. David de onthouding na den dood van het kind achterwege laat. omdat hij daarin geen heil ziet. het vasten op dat oogenbük voor nutteloos houdt. Het geweld, dat door Frey den zeer eenvoudigen zin der pericope 2 Sam. 12 : löv. werd aangedaan, was een gevolg van het streven aangaande elk voorkomend vasten aan te wijzen, dat het Jalnce heeft gegolden. Die stelling, door Frey van den aanvang af vastgehouden, ook waar te maken ten aanzien van het vasten na

Sluiten