Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

met de onreinheid van het in het sterfhuis aanwezige voedsel, dan kan 'n 'S moeilijk anders dan reine spijze van elders zijn. Dit wordt aanbevolen door de mas. lezing C'C'lN cn^

— brood der lieden. Menschen, niet bij het sterfgeval betrokken 1), verschaffen aan de in rouw gedompelde verwanten, spijs (en drank), om hen, zooals het gewoonlijk heet, te „troosten 2) over het verlies, maar in werkelijkheid om hen te voorzien van bruikbaar, d. i. rein voedsel, want wat aan levensmiddelen ook onder der nabestaanden bereik mocht zijn, door den ingetreden dood was alles onrein en daarom onbruikbaar geworden.

Dit „brood der lieden mag zeker wel vereenzelvigd worden met de spijzen, die tot op dezen tijd door anderen aan de rouwende verwanten worden toegezonden3). „Die Rabbiuen verheissen Allen, welche den Trauernden Essen schicken, grosze Belohnungen" 4). De nabestaanden mogen hun eerste maaltijd niet van het hunne bereiden. Dat 'n „brood der lieden", beteekent past hier dus zeer goed. LXX vertaalt ook xprcc avSpav De Vuig. heeft echter „cibos lugentium." Naar de opvatting van Vuig. (en ook van Targ.), vergeleken met Hos. 9 : 4 d'Jïn 'S, moet daarom volgens Wellhausen5) gelezen worden: c'C.'lN'S — brood der smarten. Daar evenwel

') Gesenius (Thesaurus v. u-K) noemt 'b „eibus, quam cognati et necessarii lugentibus mittere solebant". Targ.: DnV

*) Vg Jer. 16 : 7.

3) F- I. Grnndt, die Trauergebrauche der Hebraer, Inauguraldissertation, Leipzig, 1868 S. 28.

4) J. F. Schröder, Satzungen und Gebrauche, S 573.

5) vg. J. C. Matthes, Rouw, enz. Theol. T. 1900 blz. 201; G r tineis en, S. 133. Kraetzschmar in Nowack's Comm, leest naar Hos. 9 : 4 'b; dit in navolging van T o y, The book of Ezech (24:17); Bertliolet in de serie van Marti aarzelt, en ziet in dit vs. in elk geval een „Reminiscenz an die Totenopfer, resp. Totenmalilzeiten, an denen nach altem Glauben der Tote selbst mit Theil nabm "

Sluiten