Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

lingen van nephes en ruah is gebleken, dat het bestaan der nephes afhankelijk is van de aanwezigheid van ruah- Daar met het intreden van den dood de ademhaling ophoudt en de ruah als algemeene levenskracht het lichaam verlaat, houdt ook het bestaan der nephes op. Met den dood van het lichaam sterft de nephes. In dezen gedachtenkring is dus geen plaats voor een voortbestaan der nephes na den dood. De begrippen nephes en ruah hebben slechts betrekking op een levend wezen. Men hoede zich dus voor de dwaling, als zou de nephes als deel van den mensch naar de onderwereld gaan.

Kent alzoo Oud-Israël niet het geloof aan een voortbestaan na den dood? Deze gevolgtrekking zou onjuist zijn. In het 0. T. is meermalen sprake van de Scheöl, als de verzamelplaats der rephaïm. de ,,slappen(?)", die als schaduwbeelden van afgestorvenen daar een treurig bestaan leiden. De rephaïm hebben noch nephes, noch basar, zijn dus niet de nephes' der gestorvenen. Van die eens geleefd hebbende menschen is alles met den dood te niet gegaan; geen deel is afgedaald in het schimmenrijk. Toch heeft oud-Israël het niet met de voorstelling kunnen doen, dat met den dood voor den mensch alles „uit zou zijn. Hoe ellendig en armzalig zijn leven ook is, de doode leeft als een schaduw voort naar gedaante en voorkomen, zooals hij was in de laatste oogenblikken van zijn leven •). Ook in rang schijnt hij gelijk te blijven 2).

Gaat de doode naar de Scheöl, oorspronkelijk schijnt bij oud-Israël ook de voorstelling aanwezig, dat hij toeft in de nabijheid van zijn graf, of, gedurende den eersten tijd vooral na het overlijden, ronddoolt in en om zijn vroegere woonplaats. „Das gespenstische Umherirren auf der Oberwelt ist

•) b. v. 1 Sam. 28:14; Gen. 37:35 ; 42:38; 1 Kon. 2:5v. ') Jes 14:9; Ezech. 32: 18v.

Sluiten