Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

niehts, was der Mensch sich wünschen und ersehnen konnte, sondern es ist gerade so trübselig und schattenhaft als das

Dasein in der Scheol Es herrscht eine starke Abneigung

davor, mit ilinen inelir als nötig zu thun haben zu mlissen, iingstliclie Scheu, wo man dazu gezwungen ist, rücksicbtsloses Durchgreifen, wo man sie vertreiben kann" !). De in de woning wellicht rondwarende doodengeest is voor de nabestaanden een voorwerp van vrees, waartegen zij zich hebben te beveiligen. Vandaar de inachtneming der rouicgebruiken2) door de verwanten na het heengaan van een familielid. Daar nu het vasten ook tot die gebruiken behoort, geldt ook dit de aanwezigheid van den doodengeest.

Vóór wij verder gaan, is het noodig de verhouding te bepalen van de Israëlietische voorstellingen tot de animistische. Grüneisen, die ten opzichte van de vraag of in Israëls vóór-Jahwistische periode de doodencultus al dan niet heeft gebloeid, tot op heden het laatste woord heeft gesproken, heeft natuurlijk ook een vergelijking ingesteld ten aanzien van Israëlietische en animistische voorstellingen der ziel en van het leven na den dood. Hij is daarbij tot het besluit gekomen, dat er wezenlijk verschil bestaat en mitsdien voor Israël de animistische theorie niet geldt. Ten onrechte, ineenen wij, ten aanzien van het leven 11a den dood. Tylor, die ook door Grüneisen wordt geciteerd, definieert aldus de „animistische" ziel3): „It is a thin unsubstantial human image, in its nature a sort of vapour, film or sliadow; the

cause of life and thought in the individual it animates;

capable of leaving the body far behind, to flash swiftly from place to place; mostly impalpable and invisible, yet also manifesting physical power, and especially appearing

') Grüneisen, S. 117.

2) vg. hierover o a. Grüneisen, S. 61 11'.

*) Prim. Culture, I, p. 429.

9

Sluiten