Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

of animals and even of things" »). Hebben booze geest en doodengeest hier hetzelfde vermogen, H. Spencer gelooft, dat de booze geest oorspronkelijk een doodengeest is 2). Intusschen voor dit laatste is uit Israöls letterkunde geen bewijs bij te brengen. AA el toeven de booze geesten bij voorkeur aan onreine en woeste plaatsen 3), en komen de ïxiftovtZsnivot uit de grafsteden (Matth. 8 : 28 en parall.), maar ook liet laatste bewijst niet, dat daemonen doodengeesten zijn of kunnen zijn. Doch hoe dit zij. ook in Israël heeft het geloof bestaan, dat evenals een booze geest een doodengeest zich in een mensch kan begeven. Dit blijkt uit Lev. 20 : 27: „Een man of vrouw, wanneer in hem een onderaardsehe geest (_1N' of daemon is, zal zeker ter dood gebracht worden; enz. Hoewel het nog onbekend is wat eigenlijk beteekent, mag uit het verband, waarin het woord behalve hier vooral elders (Lev. 20 : 6; Deut. 18 : 11; Jes.8 : 19 vg. LXX e. a.) voorkomt, worden opgemaakt, dat een doodengeest zich in een mensch kan begeven 4).

') Tylor, Prim. Culture, I, p. 429. ») vg. Grüneisen, S. 32.

*) Matth. 12:43; Luc. 11:24' „Wanneer de onreine geest van den mensch is uitgevaren, trekt hij door dorre plaatsen, zoekende rust en vindt haar niet'. Of A. Je re mi as (Babyl. im N. T. 1905, S. 113) gelijk heeft, wanneer hij zegt: „Der Orientale denkt dabei besonders an einen Todten geist, der keine Ruhe tindet", moet onbeslist blijven. Maar voor Israël is het niet te bewijzen, dat booze geest — doodengeest. Wellicht moet de afkeer van een geest van water in verband gebracht worden met het uitgieten van al het water bij een sterfgeval, vg. blz. 121 aanm. 2.

4 In de aangeh. pl. is sprake van raadplegen der onderaardsehe geesten en daemonen. Daar Grüneisen (bij de behandeling der doodenbezwering in Israël) overtuigd is, dat de „obh, der im Leibe des Beschwörers sitzt, ix xoM/a? xvtov Qmü, Jes. 8 :19 LXX," S. 159 moet het des te meer bevreemden, dat hij ook het vasten niet heeft herleid tot onthouding der onreine spijze uit vrees, den doodengeest zelf in zich op te nemen; vg. nog A li n e n k u 11 u s, S. 98, Anm. 1, waar uitdrukkelijk door hem wordt verklaard, dat men zich ongetwijfeld het bovennatuurlijke, waardoor de onreine toestand wordt teweeggebracht, persoonlijk heeft voorgesteld.

Sluiten