is toegevoegd aan uw favorieten.

Het vasten bij Israël

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Nog dient verklaard te worden, hoe een afschrijver er toe kon komen, niet alleen Tï.föei in pl. v. xxrp) te schrijven (want dit kon gevolg van slordige lezing zijn), maar ook de glosse ts xï.föa svtixh oiix xvsj ivxyxq $

op te nemen. Vooreerst blijkt hieruit, dat hij het lijkinaal kende en Oorl. 2:1 > 1 in dien geest opvatte. Dat hij het lijkmaal kende, kan niet bevreemden, daar het in zijn omgeving bij Grieken en Romeinen ') een bekend verschijnsel was. Maar dat hij ook in onzen tekst het lijkmaal las, spruit voort uit misverstand. Hij kende blijkbaar Oudh. 17 : 8 > 4, waar staat:

Wp^s'/.xs: 5" £7ri ;j.b êföófiqv y'mpxv 7réi/$si ts stt) tü Trxrp) ttfixu S/£TfAf< ('j&ax&e yxp ïixyopivei tb vó/miiov toïi

:ZXTpiSV), S7TIX7X: St' TOL'li SfilhB'Ji y.Xl Y.XTXXuTXi TS Ksvbsi JC. T.

Hier is sprake van oen spijzigen der menigte door Archelaiis bij de aanvaarding van zijn ambt. I>e gegeven maaltijd heeft met het eindigen van den rouw hier niets te maken 2). De verraderlijke overeenstemming van dezen tekst met Oorl. 2 : 1 > 1, ten aanzien van den tijd der maaltijd en het w.w. ètrTixv, deed den glossator van Oorl. 2 : 1 > 1 het er voor houden, dat van hetzelfde feit sprake was. Daar Oudh. 17 : 8 > 4 spreekt van èartxv rsvt Cfii/.ovg, was hij spoedig geneigd in Oorl. 2:1 > 1 in pl. v. %xTp\ te lezen it'Kvfcei. Daardoor was evenwel de zin nog alles behalve duidelijk,

Tod, so dasz die Verwandten ihn liegen zu lassen und fortzulaufen pflegten ; da trat II Gamaliel auf und geringschatzte sich selbst, indem er anordnete, ihn in Flachsgewiindern zu bestatten. Darauf führte es das Volk ein, die Toten in Flachsgewiindern zu bestatten." Ook hier wordt dus melding gemaakt van het bezwaarlijke, dat voor de nabestaanden de teraardebestelling van een geliefden doode had.

') E. Rohde, Psyche, Seelenkult und Unsterblichkeitsglaube der Griechen, Freiburg, 1894, S. 212f ; Marquard t-M o m m s e n, Handbuch der römischen Alterthümer, VII" 1886, S. 378 ff., bij Grüneisen., Ahnenkultus, S. 137.

■) Men lette op /«i» ... Si.