Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

vasten in liet O. T. aanwezig. Bij de bespreking van 2 Sam. 12 : 15v. kwam reeds uit, dat in vóór-exilischen tijd de handeling niet meer begrepen werd. Was vrees voor den doodengeest de eenige drijfveer, die tot vasten kon leiden, dan was het inaehtnemen van den ritus in 1 Sam. 31 : 13; 2 Sam. 1 : 12: 3 : 35 geheel overbodig. Daar de rouwbedrijvenden in de genoemde gevallen niet tot de verwanten van den overledene behoorden en van verontreiniging van een sterfhuis in 't minst geen spraak was, is het daar genoemde doodenvasten niet gelijk te stellen niet onthouding van door den doode onrein geworden levensmiddelen. Het vasten na een sterfgeval leefde in Israël nog voort als een onbegrepen ritus. Van den aanvang af is ongetwijfeld bij de inachtneming der rouwgebruiken een gevoel van smart mede in het spel. In de O. T sche voorbeelden is het doodenvasten vrijwel uitsluitend uitdrukking van een droeve stemming. Maar juist omdat smart op meer dan ééne wijze geuit en het vasten niet meer begrepen werd. kan het niet bevreemden, dat liet doodenvasten als rouwgebruik uitstierf (2 Sam. 12). Voor hen, die rechtstreeks bij een sterfgeval waren betrokken, was het evenwel iets anders. De tegenstelling tusschen de onreinheid des doods en de heiligheid van Jahwe en zijn volk werd hoe langer hoe scherper. ,.Terwijl men vóór de Ballingschap de dooden nog vlak bij den Jeruzalemschen tempel, hun heiligdom, begroef, verwijderde men ze later zoo ver mogelijk van huis en erf en heilige plaatsen, uit vrees, dat zij de levenden verontreinigen zouden.*' Wie Jahwe naar zijn beste krachten wilde dienen en daarom verontreiniging naar vermogen vermeed, zal in de eerste plaats zich onthouden hebben van de spijzen, door den dood onrein geworden. Stierf het vasten als rouwgebruik, als uitdrukking van smart, spoedig uit, in den vorm van onthouding der onreine levensmiddelen wachtte den ritus nog een lang leven. Terwijl na de Ballingschap het doodenvasten niet meer vermeld

Sluiten