Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

zelfde oogenblik gerijpt zijn, dat het land geteisterd werd. En deze onderstelling is willekeurig en uit de lucht gegrepen. Ook de zienswijze der Leidsche Vert. kan niet bevredigen. Wel spreekt Sainuel (1 Sam. 7 : 6) recht in dezelfde bijeenkomst, waarop gevast wordt, maar het vasten daar bereidt niet direkt voor tot de rechtspraak en draagt een ander karakter dan hier in 1 Kon. 21. Bovendien moet het afkondigen van een vaste zonder aanleiding en op willekeurigen tijd. gevolgd door een aanklacht tegen den „als vroom hekend staanden" Naboth vreemd heeten; natuurlijk is zulk een verloop niet. Daarentegen wordt de gang van zaken begrijpelijk, wanneer men onderstelt, dat vóór de rechtszitting het volk reeds op de hoogte was van het feit, dat aan Naboth werd ten laste gelegd. Door het vaarwelzeggen van God en diens gezalfde, den koning, moest Jaliwe's toorn zijn opgewekt. Zijn misnoegen zou zeker spoedig blijken uit een strafgericht. Maar daar volgens den regel: waar één zondigt, zijn allen schuldig, op geheel Jizreël de uitbarsting van zijn toorn zou neerkomen, kon het verwachte onheil ook slechts voorkómen en afgewend worden, wanneer allen meededen aan de daad. die Jahwe moest verzoenen, d. i. de veroordeeling en bestraffing van den schuldige. Het eerste geschiedde natuurlijk door de ,,oudsten en edelen", het laatste meer bepaaldelijk door het volk. Allen gezamenlijk zijn dus verantwoordelijk voor het steenigen van Naboth. Nu is betrekkelijk Jahwe zelf de handhaver van het recht. Worden ernstige vergrijpen niet gestraft, dan oefent hij druk uit op de gemeenschap door het zenden van rampen, 2 Sam. 21; 24. De rechtsprekende!) zijn niet dan organen van zijn wil: eerstens de priester, maar ook de oudsten, de geslachts- en stamhoofden. Het is dus natuurlijk, dat bij een misdrijf van ernstigen aard, waarbij de godheid zelf rechtstreeks betrokken is, gelijk in dit geval, zij ook haar wil kenbaar maakt. Vooral dan is de rechtspraak heilige handeling. Dit blijkt

Sluiten