Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

geval veroordeelt de profeet niet alle vasten, maar in twee opzichten beantwoordt de handelwijze van het volk niet aan zijn eiscli.

In de eerste plaats wordt hun verweten de onvolledige halve betrachting van de uiterlijke zijde. Een vastdag eisclit Vliet slechts onthouding van voedsel, zitten in zak en in ascli, maar ook het staken van elke werkzaamheid en elk bedrijf. In plaats van dat voorschrift in acht te nemen, „neemt men een bezigheid ter hand'", laat werken, enz.

En in de tweede plaats, al was de handelwijze van het volk uiterlijk correct geweest, de uitwerking en de beteekenis dus van dat alles vóór Jahwe is, naar het oordeel van den profeet, afhankelijk van de vervulling der geboden omtrent barmhartigheid en liefde jegens den naaste, vs. 6v. Hij geeft aan den vastenritus een zedelijken inhoud. Noch het nieteten op zich zelf (Div), noch de zelfkastijding (': njy) zijn in staat Jahwe gunstig te stemmen. Mag het volk al meenen Jahwe's hulp te kunnen winnen door onthouding van spijs en drank zonder meer, de profeet leert, dat vasten en zelfkastijding, indien al. slechts waarde hebben als teekenen van gehoorzaamheid aan Jahwe's zedelijke geboden, neergelegd in de Wet. Het vasten heeft geen volstrekte, maar slechts betrekkelijke waarde. Vg. Zach. 7 : 1—6. waar een gelijksoortig oordeel over het vasten wordt uitgesproken.

Naar aanleiding van Zach. 7 : 1—6; 8 : 19 valt nogal een en ander op te merken. De inhoud komt ongeveer op 't volgende neer. In 't 4de jaar van Darius, den 4den van de Ode maand (Kisleu) kwam het woord van Jahwe tot Zacharja. Eenige mannen hadden boden gezonden om Jahwe te vermurwen. met de vraag aan de priesters van 't huis van Jahwe en aan de profeten: ,,Zal ik weenen in de 5de maand en mij wijden, gelijk ik reeds zoovele jaren gedaan heb?", waarop het woord van Jahwe tot Zacharja aldus luidde: Zeg tot de

Sluiten