Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

belegering van Jernsalem. in de 4de werd de stad vermeesterd, in de 5de begon de tempelbrand, en in de Tde maand eindelijk werd de landvoogd Gednlja vermoord. Dat de in de gem emde maanden vallende rouwdagen werkelijk verband houden met die rampen, kan aannemelijk gemaakt worden met Zach. 7 : 5, waar de opmerking ,.en dit 70 jaren rechtstreeks bedoelt terug te wijzen op de aanleiding tot rouwbedrijf; met 8 : 19, waar de verklaring van den profeet, dat Jahwe de vier vastendagen zal doen verkeeren in vreugde en blijdschap, in dit verband zich het best zóó laat verklaren, dat, nu men bezig was den tempel te herbouwen, alle reden tot rouw en vasten was verdwenen. De toorn van Jahwe, weleer openbaar geworden aan het droevig uiteinde van stad en tempel, scheen geweken. Vooi'taan zou hij zijn volk weder zegenen.

Iloe aannemelijk deze opvatting schijnt, de bezwaren vóór eenige jaren daartegen ingebracht door prof. Houtsma zijn van dien aard. dat de handhaving der gewone verklaring welhaast onmogelijk is geworden. In dit verband bepalen wij ons echter tot enkele opmerkingen over Zach. 7 en 8. De meening van prof. H. deelen wij heneden bij de bespreking der vastentijden mede, blz. 233v.

Wanneer men om te beginnen Zach. 7 : 1—6 onbevooroordeeld leest, dan is het eenige, wat doet denken aan 586 v. Chr., de opmerking: ,.en dit 70 jaren"', doch met reden houdt prof. H. dit voor een ingevoegd glosseem ter nadere verklaring van ,.nu zoovele jaren'" in vs. 3, welke bepaling op zich zelf veeleer schijnt te beteekenen: „sedert onheugelijken tijd." Ook 2 Kon. 25, dat de gebeurtenissen overigens vrij uitvoerig beschrijft, zwijgt over vastendagen, ingesteld ter herdenking van den ondergang van stad en tempel. Evenmin wordt in geschriften uit ongeveer dien tijd gewag gemaakt van vasten en rouw, in herinnering aan die bange dagen in acht genomen. Zach. 8 : li', waar Jahwe verklaart

Sluiten