Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

lijkheid, en zwegen over wat in eere was: de uiterlijke godsvereering. Bij Joël nu is het door lien verbroken evenwicht hersteld. Hij predikt niet de volstrekte waarde van den cultus, gelijk de tegenstanders der oudere profeten, noch ook helt hij over tot eenzijdige bestrijding van allen cultus, zooals zijne voorgangers, voor hem is de waarde der cultische handelingen afhankelijk van de bereidvaardigheid Jahwe,'s wil te doeii/> Zoo is hier de beteekenis van het vasten afhankelijk van de bekeering tot Jahwe (2 : 13v). Het vasten geeft uitdrukking aan die gezindheid.

In Jona 8 : 5, 7 heeft het vasten, het aantrekken van rouwkleederen door den koning en door het volk (en zelfs door bet vee) de strekking Jahwe's oordeel af te wenden. Het door Jona aangekondigde gericht zal gevolg zijn van de „boosheid" (1 : 2) der Ninevieten. Het afleggen dier „boosheid" en de bekeering tot Jahwe zijn de voorwaarden, waarop Jahwe zich laat vermurwen. Dat nu de Ninevieten God geloofden, en daarna vastten en rouwden, was voor Jahwe bewijs genoeg, „dat zij zich bekeerd hadden van hun slechten wandel", 3 : 10. De onthouding is dus symbool van verootmoediging voor Jahwe, teeken van bekeering en toewijding aan den dienst van God.

2 Kron. 20 -. 3. De Kroniekschrijver laat Josafat. wanneer deze, in oorlog zijnde met Moab en Ammon, het optrekken van den vijand verneemt, bevreesd worden, daarna Jahwe raadplegen en voor geheel Juda een vasten uitroepen (dis Nip).

Minder juist is het, wanneer de Leidsche Vertaling van het O. T. deze vasten beschouwt als teeken van rouw, daar niet van droefheid, maar van vrees der Judeërs sprake is. De vrees voor den vijand doet Josafat Jahwe te hulp roepen, die daarop op wonderdadige wijze, zonder eenige medewerking van de strijdmacht van Josafat, den vijand verslaat.

I

Sluiten