Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

hier nog niet met vasten beoogd. Eerst in het Christendom kent men het vasten, dat enkel dient tot ondersteuning van het gebedsleven. Nog altijd leeft inen in het geloof, dat het afsterven aan de zinnelijke wereld, het rusten in God, moet leiden tot herovering dierzelfde wereld voor de vromen. Hoe minder men nog zijn hoop en verwachting ziet vervuld, des te nauwer sluit men zich aan aan Jahwe, des te meer sterft men af aan de wereld ten gevolge van de uiterst nauwgezette betrachting vooral van de zedelijke geboden der Wet en door het vasten. ,.Gelijk een schaduw als zij lang wordt, slink ik weg; ik ben als een sprinkhaan afgeschud; mijne knieën knikken van het vasten," zoo klaagt de psalmist (109 : 23, 24) en nog is de hoop op uitredding en verhooging niet vervuld. Zelfs het meest gestrenge vasten, waarvan hij zich heil had beloofd, heeft niet gebaat. In plaats van tot de verzekerdheid. welke vooral latere Farizeesche Joden hadden, dat wie vast Jahwe's gunstbewijzen verdient en ervaart, leidt hier het veelvuldig vasten tot twijfel en vertwijfeling.

Der psalmisten vasten vertoont een ascetisch karakter. „Ascese is", naar de begripsbepaling van Dr. Ilooykaas1), ,.de vrijwillige zelfheiliging door eenzijdige oefening in het verwerpen van zinnelijken lusl." Wel zijn de psalmisten geen asceten, en is niet „zelfheiliging door eenzijdige oefening in het verwerpen van zinnelijken lust." maar de gunst en het welbehagen van Jahwe hun doel. Doch het verlangen zooveel mogelijk te beantwoorden aan de zedelijke eischen der Wet, het bewustzijn, dat veelvuldig vasten een Jahwe welgevallig teeken is van verootmoediging, dit doet een leefwijze ontstaan, waarin het vasten, hoewel niet zoo bedoeld, toch inderdaad is .,liet verwerpen van zinnelijken lust" als middel t

voor de „zelfheiliging," d. i. ascese.

') C. E. Hooykaas, Oud-Christelijke ascese, proefschrift, Leiden, 1905. blz. 6

Sluiten