Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

vy,7T£ix d. i. niet-eten op zich zelf voldoende middel is om den mensch van zijne zonden te bevrijden en Gods welge\ allen te verzekeren. Degene, die zich na de reiniging niet wacht voor herhaalde aanraking van het onreine, blijft ongeschikt \oor gemeenschap niet de godheid: wie voor zijn zonden vast, maar telkens weder terugvalt, blijft een onwaardige voor de godheid. Zulk een vasten, zulk een ver ootmoediging is niet in staat een gebed te doen verhooren. Daartoe is vóór alles noodig een afkeer van de voor de godheid verontreinigende zonde. Het vasten dient uitdrukking te zijn van wezenlijke verootmoediging, van toewijding aan de geboden der godheid. Deze tekst bestrijdt dus de opvatting, alsof God reeds welgevallen heeft aan onthouding op zich zelf, kent e\ env\ el aan vasten waarde toe, in zooverre het uitdrukking is van bekeering.

Het vasten heeft hier een andere beteekenis dan in de tot nu toe behandelde gevallen. De bestreden opvatting, die toch ook hare vertegenwoordigers heeft gehad, staat in zooverre op dezelfde hoogte als b.v. Judith 8 : 6, dat in beide gevallen vasten een verdienstelijk werk is.

Doch naast de overeenkomst staat een belangrijk verschil. Terwijl Judith 8 : (i. en overal waar vasten als verdienstelijk werk voorkomt, onthouding van voedsel rechtstreeks den mensch tot gunsteling der godheid maakt, dus positief effect medebrengt, heeft hier vasten een negatief resultaat, delgt de zonde, maakt dus eerst geschikt voor gemeenschap niet de godheid. Heeft vasten daar reeds heiligende kracht, hier slechts reinigende. Is het daar zegenbrengend, hier is het schulddelgende boetedoening. Ook .J. Sirach laat het vasten gelden als middel tot zuivering van zonde. Wat hij bestrijdt, is de meening, dat vasten als zoodanig reeds voldoende is. Slechts als teeken van wezenlijke boetedoening

heeft vasten in zijn oog waarde. Vg. 2 Petr. 2 : 19 22-

Matth. 12 : 13—45.

Sluiten