Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

loof, dit kon tot dusver slechts van de N.-Testamentische voorbeelden worden gezegd.

Of Paulus' niet-eten en niet-drinken gedurende drie dagen (Hand. 9 : 9, 19) uit godsdienstig motief voortspruit, is twijfelachtig. De onthouding in 23 : 11 zeker wel niet. Minder belangrijk is 1 Kor. 7 : 5. De Verzoendag wordt vernield Hand. 27 : 9. Vasten in oneigenlijken zin 1 Kor. 9 : 25—27. Gedwongene onthouding 1 Kor. 4 : 11; 2 Kor. 6:5; 11 : 27; Fil. 4 : 12.

Na de bespreking van hel vasten in het N. T. hebben wij nog onze aandacht te vestigen op enkele voorbeelden uit andere geschriften, belioorende tot de Oud-Christelijke letterkunde.

Barna bas brengt in herinnering, dat de Christenen op een liooger standpunt van ontwikkeling geplaatst zijn dan de Joden en daarom behooren te weten, hoe niet het uiterlijk, maar het innerlijk offer tot hunne zaligheid gevorderd wordt, H. 1 en 2. Gelijk standpunt dient de Christen in te nemen tegenover het vasten. Het verschil tusschen het vasten der Joden en dat der Christenen zet hij uiteen met behulp van het Jes. 58 gezegde, II. 3. In 't kort dus: niet vasten gelijk de Joden, wier onthouding een doode vorm is, maar het betrachten van Gods zedelijke geboden.

In denzelfden geest luidt Herder v. Hermas Gel. 5: 1: ,.Vast Gode zulk een vasten: doe niets kwaads in uw leven, en dien den Heer met een rein hart; houd zijne geboden enz. Vertrouw op God enz., indien gij dit doet, houdt gij een groote en Gode welgevallige vasten." Toch heeft voor Hermas het gebruik zich van voedsel te onthouden niet geheel afgedaan. Op de vervulling der geboden Gods komt alles aan. Maar ,,indien gij," zoo heet het Gel. 5 : 3, „bij het houden der geboden Gods nog dit dienstwerk (= het vasten)

Sluiten