is toegevoegd aan uw favorieten.

Het vasten bij Israël

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

de voorschriften omtrent den verzoendag wordt met 'y werkelijk in de eerste plaats onthouding van spijs en drank bedoeld. Pe verzoendag is de vastendag bij uitnemendheid, N31 xaii*. Is het bij een gewonen vastdag geoorloofd te werken. althans tusschen zonsondergang en zonsopgang *), den lOden Tiscliri rust men van den arbeid van den avond af, Lev. 23 : 32. Wordt gewoonlijk de onthouding opgelegd voor zoolang de dag duurt, zoodat telkens na zonsondergang gebruik van spijs en drank geoorloofd is. het vasten op den verzoendag vangt aan, zoodra de avond valt, duurt dus volle 24 uur. Slechts twee jaarlijks terugkeerende vastendagen loopen van zonsondergang tot zonsondergang: 10 Tisehri en !> Ab. t Laatste maal vóór den verzoendag heeft dus plaats tegen den avond <>p den 9den Tiscliri2). De Mischna merkt op. dat men den Iloogepriester niet mag toestaan bij die gelegenheid veel te gebruiken, omdat eten slaperig maakt (Jonia 1 : 4), en hij den nacht van 9 op 10 Tisehri wakende moet doorbrengen (1 : 7). Zoodra de schemering intreedt en dus 10 Tiscliri aanvangt, gaat het verbod van eten en drinken in werking. Voor allen, want de verzoendag is een nationale vastdag. Toch laten de Rabbijnen uitzonderingen toe. Mag men R. Eliëser geen gelijk geven, wanneer hij oordeelt, dat een koning en eene bruid zich het gelaat moeten wasschen en eene kraamvrouw sandalen mag dragen, men is het er

') Moed Katön 15b.: „Telkens wanneer het werken verboden is, is het slechts des daags, niet des nachts verboden."

2) De priesters eten niet = sedert den avond, T. J. Kipp.

3:3; na den verzoendag bij zonsondergang is het weer geoorloofd OiyV ponrc ibSN'i, T. J. Kipp. 5:5. Dan werd oorspronkelijk blijkbaar ook de bok voor Jahwe gegeten (M. Menach. 11:7), in strijd met het voorschrift van Lev. 16:27; vg. hierover H. Oort, de Gr. Verzoendag, Theol. T. 1876, blz. 153v. — Volgens den Schulchan Aruch (Uebers. H. Gr. E. Löwe, sen. 1896 I2 S. 121) moet ieder, die de zonde begaat aan den vooravond van den verzoendag wegens een boozen droom te vasten, tot straf nog een anderen dag vasten.