Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

delijk aan de .,zelfkastijding" (': n:y) dezer dagen en van den verzoendag de gedachte ten grondslag, dat men een goddelijk besluit tot bestraffing der bedreven zonden trachtte te voorkomen of te verzachten, door boete te doen d. i. zich voorloopig reeds te kastijden met vasten l).

Het kan zijn nut hebben hier met een enkel woord het verschil aan te wijzen met het vasten uit voor-exilischen tijd. Het vasten in Jer. 14 : 12 b.v. is teeken van onvoorwaardelijke onderwerping aan Jahwe, wiens wil niet gekend, wiens handelwijze Taak niet anders dan als grillige willekeur begrepen wordt. Niet-eten en niet-drinken geldt als der godheid welgevallig. Onthouding kan bij haar een gunstige stemming jegens den mensch wekken, is dus een werkzaam middel om aan de godheid gunstbewijzen te ontlokken. Onthouding op zich zelf heeft volstrekte waarde.

Anders is het hier in Lev. 16. Het vasten is teeken van verootmoediging, van aanhankelijkheid aan Jahwe, van onderwerping aan zijn geopenbaarden wil d. i. de Wet. Wie aan de Wet gehoorzaamt, kan rekenen op de gunst van Jahwe. Onthouding van voedsel kan op zich zelf de godheid niet gunstig stemmen. Eerst liet heilig streven de Wet na te komen verleent het vasten symbolische beteekenis. Als teeken van die gezindheid heeft het vasten ook van den verzoendag betrekkelijke waarde. Wanneer wij hier het vasten van den verzoendag teeken van verootmoediging voor Jahwe noemen, dan denken wij slechts aan den vastendag in Lev. 16 e. a. voorgeschreven. Mocht het blijken, dat de 10de Tiscliri reeds vroeger werd herdacht, maar om geheel andere reden, het spreekt van zelf, dat ook het vasten, zoo het evenzeer plaats had, dan een anderen zin heeft gehad. Een onderzoek in die richting ligt evenwel buiten de strekking van dit werk.

') Vg B D. Eerdmaus, De groote Verzoendag, Theol. T. 38 (1904), blz. 40.

Sluiten