Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

heel zonderling. „Het bericht geeft den indruk, dat zijne auteurs de geschiedenis van Israël van Mozes af tot Hadrianus toe hebben doorzocht naar nationale rampen, die op of omstreeks 1< Tammuz en 9 Ab hebben plaats gehad." En ook wanneer men meent, dat onder die vijf aanleidingen wel ééne de ware zal zijn, en men denkt dan aan de verwoesting van stad en tempel, ook dan komt men niet uit. Want vooreerst: welke verwoesting is bedoeld, die van 586 v. Chr. of die van 70 n. Chr.? Oorspronkelijk wegens de eerste, maar later wegens de tweede, zegt men, want beide zouden op één datum hebben plaats gehad, Josephus, Oorl 6 : 4 > 5. Maar het bericht, dat de verovering der stad op 17 Tammuz stelt, is in strijd met de historische gegevens, die niet den 17den, maar den 9den Tammuz noemen, Jer. 52 : 6, 7: 2 Kon. 25:3. 4. T. Taan. 4 : 10 = baraitha Taan. 28b zegt, dat de inneming van de stad voor de eerste maal plaats had op 9 Tammuz, voor de tweede maal op den 17den. Nog ongelooflijker wordt de zaak, wanneer men ziet. hoe niet op den Oden Ab, zooals men zou verwachten, maar volgens Josephus (1. c.) en Jer. 52 : 12 de verwoesting van den tempel den lOden zou hebben plaats gehad, en volgens 2 Kon. 25 : 8 zelfs op den 7den. Een proeve van de wijze, waarop men deze tegenstrijdigheid tracht te verzoenen in T. Taan. 4 : 10; jer. Taan. 4 : 6.

Een en ander is voldoende om de overtuiging te vestigen, dat de historische motiveering der vier vastendagen weinig of geen waarde heeft, en naar alle waarschijnlijkheid vrucht van berekening is. Maar met deze negatieve slotsom ontvalt ook de laatste steun aan het gevoelen, dat de vastendagen, in Zach. 7 en 8 vermeld, in verband gedacht moeten worden met den ondergang van stad en tempel. Intusschen hel feit blijft over, dat 3 Tischri, 10 Tebetli, 17 Tammuz en 9 Ab vaste datums schijnen te zijn, waarop jaarlijks werd gevast. Daar

Sluiten