Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Met de periode van Tammuz-Ab houdt de rouwtijd van 3—10 Tiscliri verband. Op grond van het feit, dat het Adonisfeest in sommige plaatsen op dezen tijd gevierd werd, had Movers een dubbele viering aangenomen. ,.Evenwel ten onrechte , meent prof. H., ,,want de lokale gebruiken kunnen zeer goed ten aanzien van den tijd der feestviering verschillend zijn geweest. En niet alleen ten aanzien van den tijd. Indien het feest in Tamniuz-Ab den tellurischen Adonis of Tammuz betrof, in dezen tijd van het jaar gold het veeleer eene solarische godheid." Bij het vreugdefeest op 10 Tischri stond dan „minder de voorstelling van den herlevenden god dan wel die van den ondergang van diens moordenaar op den voorgrond." Die moordenaar is de daemon der zomerhitte. Hij komt voor onder den naam Meriri (of Kètèv) Deut. 32 : 24; Ps. 91 : 6 e. a„ wordt door de latere Rabbijnen geteekend als een afzichtelijk monster, dat van 17 Tammuz tot 9 Ab op de middaguren heerscht, door wiens aanblik velen het leven verloren, welke voorstelling doet gelooven, dat de daemon „eene personificatie van den zonnesteek is of meer algemeen van den schadelijken invloed der brandende zonnehitte gedurende den zomermiddag op het animale leven." De tijd van hitte en dorheid, gelijk de tweede helft van Ab, Elul en de eerste helft van Tischri door R. Meïr1) genoemd is, wordt gesloten met het feest van de steeniging van den daemon der verschroeiende zomerhitte. Den lOden Tischri wordt „de bok voor Azazel" onder woest getier naar de woestijn gedreven om aldaar van een rots geworpen te worden, Joma 6 : 4 2). Die bok is niet een offer aan Azazel, maar hij is Azazel zelf, de belichaming van meergenoemden daemon. Dit schijnt bevestiging te vinden in het feit, dat ook de steeniging van den grooten duivel of shaitan in het dal van Mina

') T. Taan. 1 : 7.

*) Teil onrechte citeert prof. H. nog M. Menachot 11:7; er is daar slechts terloops sprake van den bok voor Jahwe, vg. blz. 217 aant. 2.

Sluiten