Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

jaarlijks den 14den en löden der maand Adar moeten vieren. Nu lezen wij 9:30, 31 als volgt: „En hij (Mordeel.ai) zond brieven aan alle Joden in de 127 provinciën van het rijk van Ahasweros niet woorden van vrede en trouw, dat men die purimdagen zou vaststellen op hun bepaalden tijd, zooals de Jood Mordechai en koningin Ester voorheen vastgesteld hadden en zooals zij zeiven voor zich en hun nakroost bepalingen over vasten en daarbij behoorende wee

klachten vastgesteld hadden (nsn ia»p

Dnpim moren)." De laatste zinsnede kan ook zoo opgevat worden, dat „de woorden van de vasten enz.", evenals „de woorden van vrede en trouw" in vs. 30, mede den inhoud van den brief weergeeft en dus slechts een herinnering is van de vasten van Mordechai en de zijnen. Est. 4 : l(i. Maar men kan in dit vers ook de verordening lezen, om in de toekomst op Purim te vasten. Aldus oordeelen o.a. Siegfried (comm. ser. Nowack t. p.) en Wildeboer (comm. ser. Marti t.p.). Aanvankelijk is men geneigd, de meening, dat een vasten voor de toekomst wordt voorgeschreven, te verwerpen op de navolgende gronden. De 14de en 15de Adar zijn feestdagen, dagen „van vroolijkheid en maaltijd, waarop men elkaar geschenken zendt", 9 : 19, 22, zoodat vasten geheel misplaatst zou zijn. 13 Adar is de Nikanordag en 12 Adar de dag van Trajanus, beide feestdagen. Bovendien zou volgens Levi') noch het betrekkelijk uitvoerig Mischnatraktaat Megilla, noch een der Talmuds ook maar een enkele bepaling omtrent vasten op Purim bevatten. Dit moet op zijn minst zonderling lieeten, indien men van ouds in Est. 9 : 31 een vastengebod had gelezen.

Toch is in lateren tijd eene purimvasten bekend. 13 Adar was een vastendag, omdat Ilaman op dien datum de verdelging der Joden had bepaald, Est. 3 : 7, 13. Doch van deze

') I. Levi, Hotes sur les jeunes chez les Juifs, Revue des Etudes Juives, Tome 47, p. 170.

Sluiten