is toegevoegd aan uw favorieten.

Het vasten bij Israël

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Adar1). Wordt volgens deze verklaring „vasten en rouwbedrijf" op Purim door M. .Meg. 1 : 3 vrijgelaten, terwijl T. Meg. 1 : G verklaart, dat beide in Adar gebruikelijk zijn, dit is gemakkelijk overeen te brengen niet liet verbod der Meg. Taanith op 11 en 15 Adar te „rouwen en te vasten", daar onzes inziens de vastenrol een polemisch karakter draagt en blijkbaar aan sommige heidensche rouw- of vastendagen hun karakter tracht te ontnemen, vg. blz. 288v.

Mocht men eindelijk nieenen, M. Meg. 1 : 3 zóó te moeten \erstaan. dat op welken dag de rol ook gelezen wordt, altijd op denzelfden datum rouwbedrijf enz. is geoorloofd, wel dan wordt het geheele Purimfeest verplaatst en rouwbedrijf en vasten blijft op Purim geoorloofd.

Schijnen deze teksten ons dus te leeren, dat oudtijds waarschijnlijk op 14 en 15 Adar werd gevast, er is veel voor te zeggen aan een driedaagsche onthouding te denken. In late ren tijd „fasten recht fromnie Juden sogar drei Tage vor dem Feste. weil auch Ester drei Tage gefastet habe" 2). De Sof. 17 : 4: 21 : 1 vermelde vasten na Purim duurt ook drie dagen. Het moet toegegeven worden, dat de driedaagsche termijn ontstaan kan zijn in navolging van het vasten van Mordechai en Ester (Est. 4 : 16), dat eveneens drie dagen

V) Dit was ook de eerste indruk bij de Rabbijnen, Taan 18b. Maimon i d e s , Hilchoth Megilla 2 : 13 vormt zicli deze voorstelling: „Op die beide dagen d i. den 14J"> en 15J« Adar is het iedereen op elke plaats verboden te rouwen en te vasten, zoowel den dorpsbewoners, die slechts den als den stadsbewoners, die slechts den 14J"> vieren; en beide dagen is het verboden te rouwen en te vasten zoowel in Adar I als in Adar II De dorpsbewoners, die [de rol] op den voorafgaanden 2^en of 5de» dag lezen, mogen rouwen en vasten op den dag, waarop zij lezen, maar het is verboden te rouwen en te vasten op die beide dagen, ook al lezen zij daarop." Deze voorstelling is een produkt der harmonistiek, is in overeenstemming met de strekking van de vastenrol, maar heeft geen voldoenden grond in de talmudische gegevens, terwijl zij door T. Meg. 1:6 blijkbaar wordt weersproken. 2) J. F. Schröder, Satzungen, u. s. w 1851 S. 167.