Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

meentelijke regenvasten (M^ Taan. 1 : 5), docli wordt wederom bevestigd door de gebruiken op 1) Ab (M. Taan. 4:7: Taan. 30a), 10 Tischri (Joma 8 : 1 enz.), de laatste tien regenvasten (M. Taan. 1:6) en de vasten der anschë maamiïd (M. Taan. 2:7: T. Taan. 4 : 3).

De derde uitspraak: ,,Bij gemeentevasten bezoekt men de synagogen om te lezen", hebben wij vermoedelijk voor alle gemeentevasten te laten gelden. Het feit. dat men bij liet uitblijven van den bevruchtenden herfstregen met de kist (waarin de Wetsrol) gezamenlijk uit de synagoge naar het marktplein trok (M. Taan. 2:1; T. Taan. 1 : 8) getuigt eer vóór dan tegen de bovengenoteerde bepaling. Ook de vertegenwoordigers dor Joodsche gemeente verzamelden zich op geregelde tijden, hetzij dan in de tempelsynagogex) te Jerusalem (M. Taan. 4 : 3). hetzij in do synagogen in hunne steden (T. Taan. 4 : 3: M. Megilla 3 : 6), terwijl in het latere Jodendom synagogebezoek niet slechts op den 2den en 5den weekdag (vg. blz. 263v.), maar ook op de andere algemeene vastdagen evenzeer gebruik was, wanneer men de „zegeningen en de vloeken" (Lev. 2G) las. M. Megilla 3 : 6.

In de vierde plaats heet het, dat men ,.bij gemeentevasten de 24 beracha s bidt. Slechts met betrekking tot de regenvasten hebben wij bevestiging van dit bericht kunnen vinden, M. Taan. 2 : 2; T. Taan. 1 : !); een voorbeeld Taan. 2öb; vg. Taan. 16b.

Het vijfde punt luidt: ,.Bij gemeentevasten heffen de priesters hunne handen viermaal per dag op [om het volk te zegenen]." De opvatting, dat dit bij elke gemeentevasten plaats had, wordt weersproken door M. Taan. 4 : 1, waar het heet, dat do priesters slechts „driemaal per jaar 2) 4-maal

') L. Herzfeld, Geschichte des Volkes Israël, 1857 III S. 193f.

2> In de Misclina van den Jeruschalmi ontbreekt n:rn, terwijl T. Taan. 4:1 slechts heeft: „Driemaal heften de priesters hunne handen 4-niaal daags op, enz.", zonder de bepaling der tijden, wanneer het plaats heeft

Sluiten