Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

1 Kon. 21 b.v. laat Izëbel een vasten afkondigen, welke voorafgaat aan of plaats heeft tijdens de rechtszitting, waarin Naboth veroordeeld en gesteenigd wordt. Naboth heeft God en den koning vaarwel gezegd, maar daar men geloofde aan de bestraffing van allen voor de zonde van één, en de verantwoordelijkheid voor een daad op de gemeenschap rustte, moest ook de verzoening niet de godheid door haar worden bewerkt. Die verzoening kon in dit geval evenwel moeilijk tot stand komen door het verrichten eener symbolische handeling. Want Jahwe vraagt niet naar gezindheden, maar naar daden. Hij kan verzoend worden door de afstraffing van Naboth. Indien men nu het hier voorkomende vasten een teeken van verootmoediging voor de godheid noemt, dan kan dit aanleiding geven tot misverstand. Immers volgens deze bepaling ware de verootmoediging hoofdzaak en het vasten, als teeken. van essentieele waarde ontbloot geweest. Maar daar de gemeenschap zich van verbreking der goede betrekking tusschen mensch en godheid niet bewust was, kan van ootmoed aan den dag leggen moeilijk sprake zijn. En omdat niet de gezindheid, maar veeleer de daad 's menschen verhouding tot de godheid bepaalde, had de onthouding op zich zelf wezenlijke waarde. Nu kan men desondanks het vasten een teeken van verootmoediging noemen, mits men maar bedenkt. dat de ritus alsdan niet in elk bizonder geval wordt verklaard, maar slechts in het algemeen als godsdienstige daad wordt gekenschetst. Het buigen van den mensch voor de godheid, de verootmoediging, bet herstel van de verbroken betrekking, de akte van verzoening of hoe men het noemen wil. is de grondgedachte van eiken godsdienst. En indien men bedoelt te zeggen, dat ook het vasten uitdrukking geeft aan die stemming, dan zegt men slechts, dat het godsdienstige daad is. Maar de beteekenis van het vasten in elk bizonder geval hangt voor een belangrijk deel af van de waarde, die aan de onthouding wordt toegekend.

Sluiten