is toegevoegd aan uw favorieten.

Het vasten bij Israël

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

stelde niet bepaald onjuist, eerder aan iets anders moeten denken. Terwijl vóór de Ballingschap slechts werd gevast 0111 gevaar, onheil, enz. af te wenden, diende het vasten in het Jodendom vooral om rampen, straf enz. te voorkómen. Het is een kastijding, die de mensch zich zelf als het ware reeds bij voorbaat toedient, om bij de godheid den indruk te wekken, dat men zich het bedreven kwaad bewust is en zich reeds gestraft heeft, zoodat een tuchtiging door de godheid overbodig is geworden. Het aanvankelijk afwerend karakter der zelfkastijding verkrijgt dan later ook positieve geldigheid.

De twee zijden, welke het vasten in de naaste toekomst ?al hebben, komen zeer duidelijk uit in Joël 1 : 14; 2 : 12, 15. Zou het bij geen der oudere profeten hebben kunnen opkomen tot vasten op te wekken, wat er ook mocht gebeuren, omdat 's volks vasten onthouding zonder zin was, Joël roept priesters en oudsten op een vasten te heiligen, d. w. z. hij spoort hen aan het volk onthouding op te leggen. Maar te gelijker tijd waarschuwt hij, dat men toch niet met onthouding alleen tevreden zij, maar tevens „zich van ganscher harte tot Jahwe moet bekeeren, dat men zijn hart en niet zijne kleederen moet scheuren." Jahwe is lankmoedig en goedertieren. zoodat onthouding en toewijding aan Hem of vasten als uitdrukking van die aanhankelijkheid zeker de gewenschte uitwerking zal hebben.

Heeft het vasten eenmaal dezen nieuwen zin verkregen, dan blijft die beteekenis in alle nog volgende ontwikkeling aan den ritus toegekend. In alle na-exilische voorbeelden, is, gelijk telkens is aangetoond, het vasten een teeken van veroot-

jongere, Dix de oudere uitdrukking is. D i 11 m a n (op Lev. 16 : 29) beschouwde de beide uitdrukkingen als „nebeneinauder liergehend," „nur dasz bei 'y der gottesdienstliche Zweck des Fastens zum Ausdruck komme." Evenzoo oordeelt W i n e r, die zegt, dat 'x „der eigentliche physische Ausdruck" voor vasten, '3 'J! ,,mehr die religiüse Bedeutung des Fastens ausdriickt,"' Bibl. Realwörterbuch Ia, 1847 S 364.