Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

de vastentabel uit de 7de eeuw verklaart: „Wie vast,

ete en drinke niet vóór den avond", en men bedenkt, dat het door de Christenen nagestreefde doel geen volstrekte onthouding, noch vasten ,,tot den avond" noodzakelijk maakte, dan zal men inzien, dat het vasten als ritus moest uitsterven.

Is deze slotsom reeds uit het karakter van den Oud-Christelijken godsdienst af te leiden, de praktijk der eerste Christenen is hiermede in overeenstemming.

Dat werkelijk in het oudste Christendom het vasten als volstrekte onthouding meer en meer in onbruik geraakt, is o. a. gezegd door C. E. Hooykaas in zijn proefschrift over ..Oudchristelijke Ascese', blz. 83v. Hebben wij geen reden aan te nemen, dat liet telkens in het N. T. genoemde vasten in oneigelijken zin is bedoeld, zoodat daar nog van volstrekte onthouding sprake is, eensdeels bestond, om iels te noemen, de „vasten van den 4den en 6den dag, in overeenstemming met andere ascetische praktijken, b.v. voor Hermas in wateren brood-dieet, terwijl anderdeels dezelfde vasten niet gelijk bij de Joden „tot den avond" duurde, maar bij de Katholieken reeds drie uur 's namiddags ten einde was, I. c. blz. 1G3. Maar dat vasten in ket Christendom meer en meer verruimd wordt tot het begrip ascese, behoeft niet afzonderlijk in het licht te worden gesteld. Het Oudste Christendom is in zijn wezen ascetisch. De in de literatuur zoo herhaaldelijk op den voorgrond tredende tegenstelling van den Christen met de „wereld , is feitelijk niet anders dan de tweespalt in de menschelijke natuur, waarbij als volstrekt vijandig tegenover elkaar staan het zinnelijk of natuurlijk en liet godsdienstig of geestelijk leven. En wanneer dus, ter bevordering van het laatste, onthouding van voedsel wordt in acht genomen, dan is het de bedoeling het zinnelijk of natuurlijk leven te onderdrukken. Om die reden was het geheel onnoodig, zich volstrekt van alles te onthouden en de onthouding zelf gedurende een bepaald voorgeschreven termijn vol te houden.

Sluiten