Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

hebbers, dan dat een verwijt kan worden gemaakt aan hen. die kinderen van hun tijd waren. Vandaar de groote liefde voor chronologische registers voor de Drentsche staten-archieven, eene voorliefde, die elders nog sterker toegepast moest leiden tot chronologische inventarisatie van alle losse stukken. Indices konden de kwaal minder doen gevoelen, maar niet geheel wegnemen.

Gelijk ik reeds mededeelde, moest de archivarius telken jare, en wel in de maand Januari, „van zyne verrigtingen gedurende „het afgeloopen jaar" een verslag inzenden aan Gedeputeerde Staten, die afschrift daarvan moesten doen toekomen aan 't departement van binnenlandsche zaken. In dat verslag moest „worden aangewezen de toestand, waarin het archief en de „daarby behoorende registers zich bevinden, met opgave tevens „van hetgene hem geschikt en belangryk is voorgekomen om „door den druk te worden bekend gemaakt" (art. 9). Hierdoor zou men de wetenschap ontvangen van den voortgang der bovenvermelde voorgeschreven werkzaamheden, en tevens de zekerheid, dat er gewerkt werd. Vermeldde ik boven reeds den prikkel voor 's archivaris „ijver", thans luidt het: „Hem wordt „tot dat einde een vlytig onderzoek der archieven aanbevolen". Uit deze herhaalde aansporing tot werkzaamheid ten opzichte van 't inventariseeren zou men geneigd zijn te onderstellen, dat de lust hiertoe bij den patiënt niet werd verondersteld. Men vreesde wellicht, dat Magnin zich meer aangetrokken zou gevoelen tot 't aangenamer werk van uitgeven van geschiedkundige opstellen, het bewerken der aanwezige geschiedbronnen, dan tot 't minder dankbare, maar zoo hoogst noodige inventariseeren dier bronnen. In verband met 't feit, dat hij zijne functie van adjunct-commies zou blijven vervullen, valt 't moeilijk na te gaan hoeveel tijd door hem aan de inventarisatie kon worden besteed. Uit de jaarverslagen blijkt, dat verschillende serieën werden geordend (o. a. de serie rekeningen); maar wij weten niet, in welken toestand deze zich bevonden, en kunnen dus niet beslissen, of de aansporing tot ijver en vlijt bedoeld was als een stimulans te zijnen opzichte, dan wel voortsproot uit het begrijpelijk verlangen, dat de archieven zoo spoedig mogelijk zouden gebracht worden in een toestand, waarin zij behoorlijk konden worden geraadpleegd.

Sluiten