Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

niet te vreezen, dat 't uiterst moeilijk zoo niet onmogelijk zal zijn, om thans nog vast te stellen, of een bepaald stuk uit een bepaald dossier afkomstig is? Zouden door de vermelde wijze van werken niet gevormd zijn de verzameling stukken, waarvan een verband met andere wordt gemist of wel wordt verondersteld of aangenomen, zonder dat daarover voldoende licht schijnt?

Wellicht echter is Magnin's uitdrukking „inventarisatie" niet juist en had hij 't oog op het maken van de chronologische regestenlijst, hierboven op bladz. LXIV sub 2 vermeld. Immers nog is van zijne hand aanwezig op losse bladen, naar de jaren gerangschikt, eene inhoudsopgave van vele stukken d. d. 1141— 1681; waarop door den lateren rijksarchivaris Mr. S. Gratama eenige stukken zijn bijgeschreven. Niet onmogelijk is 't, dat Magnin in zijn rapport 't oog had op deze werkzaamheid, die dan toen tot 1600 zou zijn gereed geweest.

Een ander werk, dat evenmin als het straks genoemde valt toe te juichen, doch boven reeds als plicht voor den archivaris is medegedeeld1), lag in 'tplan van den heer Magnin, „zoodra „het saizoen zoover zal zyn gevorderd, dat ik zonder vuur en „licht op de zolders van het gouvernementsgebouw zal kunnen „werkzaam zyn". Dan wilde hij de serieën brieven oplossen over de dossiers enz. Wanneer evenwel die brieven „van gemengden „inhoud" waren, zouden zij „afzonderlijk worden geregistreerd, „geklasseerd en gedeponeerd"2), 't Was 20 Februari 1849 toen de archivaris dit schreef; wellicht is hij in den daarop volgenden zomer aan de vernietiging der liassen begonnen.

Gereed gekomen was eene andere werkzaamheid: de rekeningen met hare bijlagen waren door Magnin „byeengebragt en geschift". Doch „gebrek aan geschikte plaats tot berging dier volumineuse „archieven maakt het my uiterst moeyelyk, die stukken uit „elkander te houden" a).

Men ziet 't, het archivaris-ambt was een 50 jaren geleden niet in allen deele opwekkend. Zoo juist had men iets in orde, of wat men met zorg had tot stand gebracht, dreigde weder langzaam maar des te zekerder tot de oude wanorde te worden teruggevoerd.

') Hierboven bladz. LXIII—LXIV sub 1.

a) Zie het in noot 2 op de vorige bladzijde genoemde jaarverslag.

Sluiten