Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Sichterman en Lrcxs Nijsingh, beiden gedeputeerden en etten. Veel resultaat schijnt echter het scheidsgerecht niet te hebben kunnen bereiken. Immers wij zien later (1717) zich openen eene briefwisseling tusschen beide gewesten, waarin Drente bericht alle limietkwestiën te willen vermijden; terwijl Stad en Lande later op eene aanmerking van 't landschap schrijft, niet de Drentsche maar de Friesche grens in orde te brengen. In 1724 kwam Een zich weder beklagen, omdat de heer van de Nienoord, van zijn macht gebruik makend, zich als eigenaar van het betwiste stuk grond bleef gedragen en eigenrichting uitoefende tegenover zijne tegenstanders, en omdat door ingezetenen van Stad en Lande aardhaling plaats vond bij de Zwartedijkster schans. De zaak kwam echter niet verder, het bleef bij het wisselen van brieven.

In 1742 kwam er eenige verandering, doordat de markegenooten van Zevenhuizen het voorbeeld van den heer van de Nienoord volgden en zich als eigenaars van den betwisten grond gedroegen. Eene briefwisseling was wederom het eenige gevolg. Drente bleef zich voortdurend stellen op het standpunt, dat er geen sprake was van de grenzen Drente — Stad en Lande, maar dat er alleen aanwezig was een eigendomsgeschil tusschen particulieren; Stad en Lande oordeelde, dat beslist behoorde te worden, waar ter bewuster plaatse de grens tusschen beide gewesten liep. Waar van geen van beide zijden werd toegegegeven, werd natuurlijk geen resultaat bereikt. Wat wederom ten gevolge had, dat Een in 1747 zich bij Drost en Gedeputeerden kwam beklagen, omdat de heer van de Nienoord hun verhinderde het vrije genot van den betwisten grond; Gedeputeerde Staten van Stad en Lande hadden hem zelfs soldaten ter hulpe gezonden. Ook nu werd geene beslissing verkregen.

Op eene nieuwe klacht van Een begrepen eindelijk Drost en Gedeputeerden, dat op deze wijze aan de zaak geen einde zou komen. Zij droegen daarom aan gecommitteerden van hunnentwege op, overleg te plegen met gecommitteerden van de stad Groningen, „onder anbiedinge van de sake ten principale wel te willen „examineren en tsij door het agtervolgen van het geallegeerde „compromis, tsy door een vriendelyke en nabuurlyke afdragt „volgens billijkheit en gronden van justitie, gevestigt op be„wysen en possessiën, een einde te maken van een geschil, dat „refcts meer dan te lange heeft gesubsisteert" (apostille d.d. 18 Juli 1761 op een request van Een). De limietkwestie werd dus erkend, doch niet in termen, die krachtige medewerking tot oplos-

Sluiten