Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

dat bij de verpachting op 7 Februari 1614 de dijklasten zijn gebracht ten laste der pachters;

c. eene „notule van wat een ieder meyer voer pacht beloeft heft";

d. eene „notule van de minutiliën van de Dickninger pachten „ende andere kleine perceelen, die ter dispositie van Ridderschap ende Eigenerffden gestelt werden, om te werden verkoft ofte „affgelost";

f. eene borgstelling van den predikant te Ruinen voor de betaling door Bernhabdus van zijne huishuur, 10 Februari 1614.

Bij de stukken d.d. 1620 is een acte van verhuring, waarin groote (wijn?) vlek ken.

In den inventaris d.d. 1627 vindt men:

(N°. 84). „Verpachtinge ende conditiën van deselve van Dicke„ninge arve in 't jaer 1614 gedaen";

(N°. 83). „Verhuiringe van de arven vant convent Dickeninge „gedaen den 5 Novembris 1619 ingaende op Maj 1620";

(N°. 80). „Verpachtinge van de erven's convents Dickeninge in„gaende op Maj 1626, gedaen binnen Meppel den 20 Januari 1626'*;

(N°. 81). „De conditiën, waerop de voorseyde verpachtinge „gedaen sijn."

643. Cedelen van de verpachting door of namens Drost en Gedeputeerden der erven en landerijen, behoorend tot het rentambt Dikninge, over Mei 1632—1799 Mei. 1632—1792.

1 portefeuille.

NB. Van de verpachting ingaande Mei 1655 is geen verpachtingscedel aanwezig, wel een lijstje der pachters en de borgtochten voor hunne goede betaling; — van den cedel der verpachting ingaande Mei 1665 is naast den cedel aanwezig eene lijst der pachters, met aanteekening omtrent de al of niet vrijstelling van borgtocht.

644. „Dickninge, verdingh van de rogge 't sedert den jaere „1621 tott 1627 incluis''. — 2 Staten van de waarde in geld, waarnaar ieder mud pachtrogge is gerekend over de jaren 1621 — 1627 en 1633-1655. (1655?)

1 dossier.

NB. Op den staat over 1621 —1627 staat in dorso aangeteekend: „Aengaende den prediger Rusium."

645. „Dickninge 1653. Vercopinge van eenige goederen, 31 „Martij 1653 geschiet'. — Minuteel verbaal van verkoop van

Sluiten