Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

abdij te Dikninge; met aanvragen om prebenden. 1603 — 1766.

1 bundel.

NB. Aanwezig zijn: resolutiën d.d. 1603, 1621, 1653, 1662 en 1766; en aanvragen d.d. z.j. (1605 & 1618), 1651 en 1652.

Hieronder een grosse eener dergelijke resolutie, — een afschrift van zulk een resolutie getiteld in dorso „concepte „van een stiftsjuffers-preuvenbrieff 9", — en een voorschrijven van den stadhouder voor eene sollicitante.

't Is niet zeker of de resolutie d.d. 1766 hier altijd bij geborgen is geweest.

669 „Jonker van Echten tot den Oldrutenborch". — Stukken betreffende de uitbetaling aan Everhard van Echten tot den Oldenrutenborg ende Closterhorsts van de achterstallen der Dikninger prebende van wijlen juffer Anna Elisabeth van Echten tot den Oldengaerde. 1661/2.

1 dossier.

NB. Deze stukken bestaan uit brieven aan den landschapssecretaris, een request aan Ridderschap en Eigenerfden, kwijtingen voor gedane betaling en memoriën van betaling.

67©. „Hr. van Nyenoerts pretensiën ende jufïer Bijma „nopende d' prebenden". — Stukken betreffende den aandrang van de Staten-Generaal en den stadhouder bij Drost en Gedeputeerden, opdat George Wilhelm vrijheer van Kniphuijsen (als eigenaar der havezate ter Heyl) geniete 't recht van begeving eener Dikninger prebende en Drentina van Bijma ontvange de achterstallen harer Dikninger prebende. 1777/8.

1 dossier.

NB. Hierbij een brief d.d. 1650 van den ritmeester tan Bijma aan Drost en Gedeputeerden, waarbij hij, onder dankbetuiging voor de bijwoning van den doop zijner dochter Deentina door hun gecommitteerden, den landschrijver en den landschapssecretaris en hunne vrouwen noodigt op het doopmaal.

671. Stukken betreffende de regeling der nalatenschap van Kerst Jans, provenier te Dikninge, in ^1615?). 1612, (1615?).

1 omslag.

NB. Aanwezig zijn:

a. eene notarieele making van Kerst Janssen „pravener in „ Dicklinge'' ten behoeve van de vrouwe en de jufferen van de

Sluiten