Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

volgenden rechtdag zijn tegenbericht kon inzenden; en droegen de verdere behandeling op aan Drost en Gedeputeerden. Volgens aanteekening op het stuk werd het den 26 Maart 1658 aan den heer van Echten geïnsinueerd.

748. Stukken van het proces voor Ridderschap en Eigenerfden en hunne gecommitteerden tusschen de markegenooten van Steenbergen en ten Arlo en Jam van Echten lieer van Echten, over het gezag over de Zuidwoldinger schipsloot en het daarin aanwezige verlaat, en in verband daarmede over den omvang der heerlijke jurisdictie. 1658/62.

1 dossier.

NB. Ridderschap en Eigenerfden benoemden op 17 Febr. 1657 eene commissie, om de kwestieuse plaats te bezichtigen, partijen zoo mogelijk in der minne te vereenigen en op den a.s. landdag rapport uit te brengen. Uit het rapport dezer commissie en de gewisselde stukken bleek, dat de pogingen tot minlijke schikking vruchteloos waren geweest. Daarom besloten Ridderschap en Eigenerfden op 23 Februari 1658, dat nader door de partijen stukken zouden worden gewisseld, en dat op den volgenden landdag uitspraak zou worden gedaan. Op verzoek van den heer van Echten werd door Ridderschap en Eigenerfden op 28 Februari 1660 de zaak verwezen naar de goorspraak, te Diever te houden, en werd de landschrijver Schickhart gecommitteerd om partijen onder eede te hooren op zoodanige vragen, als door tegenpartij zouden worden gesteld; waarna de zaak weder op den landdag zoude dienen. Op 10 April 1660 werd het proces door Ridderschap en Eigenerfden gesloten en werden de stukken in handen gesteld eener commissie, ter examinatie en om te dienen van rapport. Partijen werden daarbij in de gelegenheid gesteld, alsnog stukken te wisselen. Op 12 Februari 1661 werd door deze commissie gerapporteerd en door Ridderschap en Eigenerfden eene voorloopige beslissing genomen. Inmiddels werd een advies ingewonnen van 3 raadsheeren in het hof van Friesland.

Tengevolge van het overlijden van den heer van Echten op 6 Aug. 1661 werd de eindbeslissing eerst genomen op 11 Maart 1662.

Hierbij enkele stukken, betreffende 't proces, afkomstig van den advocaat Joiiam Nijsinqh te Eelde, die in deze zaak optrad als raadsman van den heer van Echten.

Sluiten