Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

grondschattingsregister voor Coevorden af te voeren en te brengen op dat voor Dalen; in dorso voorzien van de aanteekening: „moet gelegt worden bij de raeetinge".

Bij die van Beilen: a. extracten uit het grondschattingsregister van Beilen d.d. 1654 (Beilen en Hijken) gewaarmerkt, door den klerk C. Monter; — b. request van J. Wubbelinge te Yken (lees Hijken) aan Drost en Gedeputeerden om afvoering van zijn huis van het grondschattingsregister voor Beilen, op grond dat daarvoor onder het schuitambt Ruinen werd betaald; met een brief daarover van R. Elevkld aan den landschapssecretaris.

Bij die van Diever: „a. Extract uit de meetzedul van de Leg„geler bouwlanden, gedaan door de landmeter Ulaas Vasters „Stierp in de jaren 1640 en 1641"; —b. aanteekeningen van den klerk W. H. Hofstede omtrent grondschattingen onder Wapserveen.

Bij die van Coecange: request van Geert Arends aan Drost en Gedeputeerden en gecommitteerden tot den rekendag, houdende bezwaar tegen de meting van zijn plaatsje onder Coecange; in dorso voorzien van de aanteekening „Dit bij de registers te „leggen van de Coekange".

Geen nieuwe registers van omslagen zijn aanwezig van Emmen, Schoonebeek en Dwingelo.

Omtrent de registers van Hoogeveen valt nog 't volgende op te merken. Evenals alle schuiten in Drente, ontving ook de verwalter-schulte van Echtens—Hoogeveen de order van Drost en Gedeputeerden d.d. 21 Maart 1741 tot het opmaken van een register van nieuw gebouwde huizen en nieuw aangemaakte landen in Echtens—Hoogeveen. Volgens octrooi waren de ingezetenen van Echtens—Hoogeveen echter vrijgesteld van de betaling van grondschattingen. De verwalter-schulte wendde zich daarom tot Drost en Gedeputeerden met de vraag, of deze order misschien berustte op eene vergissing. Volgens de op het request gestelde apostille d.d. 15 Sept. 1741 werd de verwalter-schulte voorloopig vrijgesteld van het opmaken van bedoelde registers; en besloten Drost en Gedeputeerden de zaak te brengen op den a.s. landdag. Van de behandeling blijkt echter verder niet. Bij de verlenging van het octrooi in 1754 werd evenwel bepaald, dat „de beste huisen in het Hogeveen en de landerijen die „meest gecultiveert zijn" zouden worden gemeten en na taxatie in de grondschatting aangeslagen; echter met dien verstande, dat de helft zou worden betaald van hetgeen in verhouding door

Sluiten