Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Boncamp, als „superintendent ende assesseur van des vj'andes con„tributiën", op verevening van den post aan. Ridderschap en Eigenerfden besloten naar aanleiding daarvan, dat Drost en Gedeputeerden de „supperintendenten sullen anschrijven, omme „schriftelick oever te seinden alle hetghene sijluiden desen an„gaende hebben te pretendeeren. Niet connende Ridderschap ende „Eigenerffden verstaen, doer de schriften by henluiden oeverge„sonden, de landtschap tot betaelinge van soedaene opgeraepte „actiën obligatoir te zijn" (resolutie R. en E. d.d. 10 Januari 1625). Op de dientengevolge van Drost en Gedeputeerden uitgegane aanschrijving werden echter geen nadere bewijsstukken ontvangen. Op grond dat door den vijand geen vonnis kon worden vertoond, waarop zijne vordering berustte, verwierpen Drost en Gedeputeerden den eisch en wendden zich om tusschenkomst tot den Raad van State. Bij apostille d.d. 20 Sept. 1625 werd door den Raad „verstaen, dat de vyandt niet te zeggen nogh te „pretenderen heeft op domeynen, die onder het bedwanck van „deser zijden gelegen zijn. Ende dat overzulcx behoort geschreden te worden aen 's vyandts officieren in deze vermeldt, dat „zij hun onthouden hun te bemoeyen met eenige pretensiën opte „gerechtigheydt van den turfftoll tot Swarte Sluys ende andere „ diergelijcke. Oft dat men niet en zal laeten van dezer zijde van „gelijcken mede aen te tasten de domeynen in Brabant. Vlaen, deren ende elders aen 'svijandts zijde gelegen." Drost en Gedeputeerden verzochten bij request d.d. Nov. 1625 aan den Raad van State, de voornoemde apostille aan den vijand af te zenden; waartoe werd besloten. Van eene verdere behandeling dezer zaak blijkt niet.

De bijlagen bestaan uit oudere requesten en stukken d.d. 1622—1625.

Sluiten