Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

de begraef-plaets I ghenaemt Gods-Acker eenighe stucken ... Duidelijk zegt van Mander echter in het Leven van Spranger (fol. 272a): niy Spranger daer [te VVeenen] ontboot te

helpen / van Chrenis / daer ick doende was in den Godsacker / in Fresco te schilderen." Van Mander is dus thans te Weenen bij Spranger en Hans Mondt „die van jongs aen mijnen bekenden vriendt gheweest was," en leert de keizerlijke collecties kennen, waarin o.a. de Breughels en Dürers, door hem opgesomd, zich bevonden.

Noch heb ick bevaren twee schoon Rivieren /

Eerst Danubius, in anderen quartieren Ister ghenaemt....

en

Rhemus de Riviere heerlijck bequame /

Deez wateren en veel steden 1) eersanie Heb ick besocht / om met beter verstanden Te begrijpen de Const / die ick voor handen Nu hebbe ghenomen / om metter penne Nae te beelden / ghelijck ickse kenne.

Hier zal hij wel zelf den raad, dien hij aan jonge schilders meegeeft, in practijk gebracht hebben:

.... afcomende besoeckt Almangen

Of daer meer Geit als Const mocht zijn ghetroffen

Een goet deel schijven van sulcken alloyen Mede t'huys te brenghen soude wel clincken / Om u Ouders en vrienden te vervroyen /

Oock hen tamelijck en eerlijck optoyen /

En sal u comste voor niemant doen stincken /

Men sal u wellecomen en beschincken /

Wech dan lichte schoenen niet meer men reyster / Men wort al haest geblockt aen de Vreyster.

l) Bazel, waarschijnlijk, waar hij Ammersbach heeft kunnen ontmoeten (cf. fol. 220b) en Neuremberg (cf. fol. 209^): „doe ik daer was A° 1577." —

Sluiten