Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Hier in Haarlem kwam hij in aanraking met de meeste schilders wier biografiie hij onder die der nog levenden opneemt, zooals Coninxloo, Vroom, de Gheyn, Wtenwael, Bloemaert, Badens, Vinck-Boons, en de jonge schilders, die bij elkaar fol. 2996 seqq. opgenoemd worden. Bovendien leerde hij kennen Jaques van der Heek, neef van Heemskerek te Alkmaar (fol. 247a); Assuerus, Heer van Bloklandt, neef van Blocklandt, te Amsterdam (fol. 254a); Pieter Pietersz., zoon van Pieter Aertsen (fol. 244^); Bernard van Somer, getrouwd met de dochter van Aert Mytens (fol. 264» en 300^), Nicolaas Suycker, kleinzoon van Jan Mostart (fol. 229b); Aechtgen Cornelis te Leiden, dochter van Cornelis Cornelisz. Kunst (fol. 217a). — Ook maakte hij kennis met Albert Simonsz., een oud schilder te Haarlem, leerling van Jan Mostart (fol. 205^); Pieter Isaacs, leerling van Hans van Aken (290^); Menton te Alkmaar, leerling van Frans Floris (fol. 242d), enz.

Voor buitenlandsche schilders heeft hij de meeste inlichtingen bekomen van Zuccaro, Vroom, Ketel, Goltzius, Spranger, Vredeman de Vries, e. a.

* ♦

Wanneer wij in de levensbeschrijving de lijst dergenen nagaan, voor wie van Mander schilderde, vinden wij de namen van:

Rauwert: „een deluvie van wit en swart."

„een passie in twaelf stucken." „een Boere kermis."

Razet: „een Johannis Predicatie."

„twee karsnachten."

„een Boerekermis."

„een Cruycinghe Christi."

Kolder man: „een distructie van een Predicatie."

„een stuck daer voor 'tjock ghekropen werdt."

Jan Mathijsz. Ban: „een Davidt en Abigaïl."

Albert (Simonsz.?): „een stuck van Jephtah."

Sluiten