Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Siet hoe d'ee herwaerts rijt / en da weer henvaerts vaert

Doorloopt lat / stat / en dorp / doersoect huys / slot / casteelë,

Om vinden van zijn handt beschilderde paneelen.

Ist datse maer zijn veyl / se zijn hem niet te dier.

Grafschriften wijdden hem o. a. Z. Heyns, Vondel, Bredero, — om de tarijke minder bekende namen niet te vermelden.

Onder degenen, die van Mander's Schilderboeck met lofdichten versierden, vindt men de namen van Scriverius, Pieter Bor, Pieter van Veen, Willem Bartjens, Z. Heyns, Dethring, Targier, Schrevelius, Orlers 1), Delmanhorst, Duym, Celosse, Ketel, enz.

Al dezen heeft van Mander persoonlijk gekend. Het is hier niet de plaats na te gaan welke inlichtingen al deze schilders, kunstminnaars, nabestaanden enz. kunnen verschaft hebben: men zie hiervoor onder het hoofdstuk, over de „Ongedrukte bronnen

Opmerkelijk is het, dat van Mander bij de nog levende schilders alleen diegenen behandelt, die in en bij Amsterdam en Haarlem werkten. Slechts enkele buitenlandsche en in het buitenland vertoevende schilders (Gortzius, de Witte, Stradanus, Hans van Aken, Rottenhamer, Soens, Paulus Bril) vinden hier een plaats. Uit de overige steden in de Nederlanden weet hij van slechts een enkele, als van Miereveldt te Delft, een eenigszins uitvoerig levensbericht mee te deelen.

Ook de kunstwerken, die van Mander uit eigen aanschouwing

afsterven van Carel van Mander, in zijn leven cloeck schilder ende Poet, overleden zijnde op den n September 1606. □ Ghedruckt te Franeker, bij Rombertus Doyma (voor Paschier van Wesbusch) Boeckenvercooper,.... Anno 1609."

') Orlers, [Beschr. der Stadt Leyden, 1641 (2e druk), pag. 353,] noemt hem: „ mijn vriendt in sijn leven wesende."

Sluiten