Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

beschrijvingen van twee verschillende schilders eenzelfde feit vermeldt. Zoo b.v. wordt zoowel fol. 206a als 209^ verteld, dat Dürer van Geertgen van St. Jans getuigd zou hebben: „Waerlijck / er is eyn mhaler im Moeders Leib gheweest."

fol. 205a en 257#: de dochter van Lancelot Blondeel trouwde met Pieter Pourbus.

fol. 205^, 243b en 268b: Op deze drie plaatsen wordt bijna met dezelfde woorden gezegd, dat Jan Mandijn, schilder uit Haarlem afkomstig, in het genre van Hieronymus Bosch (van Aken) werkte en een jaargeld („pensioen", „Jaer-gelt" en „onderhoudt") van de stad Amsterdam genoot.

fol. 21 'jb en 245b—246^: Op de eerste plaats wordt beknopt, op de tweede zeer omstandig het verhaal van Heemskerck's avontuur te Dordrecht meegedeeld.

fol. 21 "]b en 237b wordt toespeling gemaakt op het slechte geldverdienen te Leiden.

fol. 281 b en 3000 worden drie leerlingen van Miereveldt, n.1. Moreelse, Pieter Geeritsz. Montfoort en Pieter Dirksen Cluyt met bijna dezelfde woorden vermeld.

Behalve in de Levens der Nederlandsche Schilders vindt men sommige schilderijen ook nog in een der andere deelen van het Schilderboeck vermeld. Zoo b.v. bij schilderwerk van Pieter Aertsen en Goltzius, zoowel hier als in den „Grondt der Edel vry Schilderconst" vermeld. Zoo in de Levens der Italiaansche Schilders inlichtingen over Stradanus en Pieter de Witte.

Dan zijn er nog talrijke, dikwijls-terugkeerende gezegden,

als: „in summum dit werck is van actituden .... etc

uytnemende" (fol. 200b, fol. 203^ enz.); „Poësie en Pictura goede vriendinnen zijn" (fol. 261 b en 296b); „de Const geern bij den rijckdom is" (fol. 199#, 2030, 217a)] meermalen spreekt van Mander zijn verontwaardiging over den beeldenstorm uit; ik noem slechts fol. 204^, 204$, 206a, 231a, 267$ enz., regels, die bijna op elk blad te vinden zijn.

Eigenaardig is het gebruik van het woord „modern". Men

Sluiten