Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Lucas de Heere.

Van Mander's leermeester gaf in 1565 een boekje uit onder den titel: „Den Hof en Boomgaard der poësien". etc. Te Ghend .... Anno MDLXV. ')

Aan dit werkje ontleende van Mander het volgende: i°. „Den Tempel van Cupido", uit het Fransch vertaald van Clement Marot, door van Mander genoemd f01.256a.

2°. De ode van Lucas de Heere op den Agnus Dei (fol. 201 a—202a) bldz. 35—39.

Hiervan zegt van Mander: „ In de selve Capelle / gheheeten van den Adam en Eva, in S. Jans Kerck, tegen over het werck plagh te hanghen een Lofghedicht / oft Ode, ghedaen van Lucas d'Heere, schilder van Ghent / welck ick hier hebbe willen by voegen: doch een weynich verandert / en op Alexandrijnsche mate ghestelt...."

Toen van Mander zijn Schilderboeck schreef, zal hij zich de moeite wel niet getroost hebben een afschrift van dit lofdicht te laten nemen, als het toen ten minste nog bestond! Temeer, daar hij het vers in druk vóór zich had, wat niet alleen blijkt uit de overname van het sub 30 en 40 vermelde, maar ook uit de overeenkomst van het begin van het bovenstaand citaat en een kantteekening naast den aanvang van het lofdicht in den „Boomgaerd enz", luidend „Des constigen stuck te Ghent in S. Jans kerck in de Capelle, van den Adam ende Ewa gheseit." De mededeeling, dat het lofdicht van de Heere tegenover

l) Ph. Blommaert: Levensschets van L. d'Heere, Gent 1853, bespreekt het bldz. 25—28.

Sluiten