Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

aan onder andere een dat elders niet opgenomen werd, ter eere van den kunstschilder Hugo Van der Go es."

Aan deze zelfde soort van onnauwkeurigheid is het misschien toe te schrijven, dat Blommaert ontgaan is, dat de door van Mander bewerkte Ode op den Agnus Dei reeds in de ,, Boomgaerd etc. een plaats vond (cf. bldz. 16 Blommaert op. cit.). Dezelfde fout maakt ook Bccker in zijn reeds geciteerde dissertatie van 1897, wanneer hij zegt: „Karei van Mander hat das Gedicht überliefert." (S. 79). De Busscher (Biogr. nat.) en Hymans memoreeren het gedicht terloops.

4( ■ de vierde plaats komt op bldz. 45 een vers voor, opgedragen „an M. Franchois Florus excellent Schilder," aldus luidend :

Naerdien ghi deur u Goddelicke scientie Apelles name soo hebt wtgevaegt en verdrevë Datmen nu niet meer voor een ghemeen sententie,

Als men een schilder wilt den hoogsten titel ghevë, Hë Apelles en noët, maer werdt veel meer verhevë Met hem by u te ghelijcken die voor al gaet:

Wat hoogher titel dan, can u self toegheschreve Da Florus? waerbi me dë grootste schilder verstaet.

Cf. fol. 242a: „Lucas de Heere, zijn heel toeghedaen Discipel / hadde tot hem een Lofdicht op dese meeninghe:

Dwijl ghy Apellis naem doet door u const verswyghe,

Wanneer m'een Schilder prijst, meer lofs hem doende crijghen.

Ghelyckd' hem by dy, wat naem u selfs toecomt?

Dan Florus, d'wijl men soo den hooghsten Schilder noemt?"

Geen gebruik maakte van Mander van een aardig sonnet (een tweespraak) „ghetranslateert bij d'huusvrouwe van dë autheur, uit ee Lranfoys sonet by hë ghemaeckt op een schilderye van M. Willem Key t'Antwerpen." (bldz. 60), waarin twee personen een levende naakte vrouw meenen te zien, terwijl het blijkt een schilderstuk van den genoemden meester

6

Sluiten