Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

fol. 199a:

„Het is te achten / dat in soo vroeghen tijt / daer in dien rouwen oft eensamen hoeck landts / weynich schilders oft eenich goet voorbeelt van schilderye most wesen."

V a e r n e w ij c k IV c. 47:

„ maer zeker dits is wel te noterë dat dese

ghefloreert hebben in zoo blent eenen tijdt, te weten bijcans over hondert ende vijftich iaren / alsmen van zulcker conste niet en wiste .... wt een seer ruyt landt, daer zij 00c gheen exempel oft voorbeelt van haerder conste en zaghen."

De Heere:

„Ie meer noch zijn gherucht is loflijck uyt te breyden Dat hij in sulcken tijdt, en plaets te bloeyen plagh,

Dat hy geen schilderie, om d'ooghen in vermeyden,

Oft beter voorbeeldt oock, als wel zijn eyghen sagii.

fol. 20cla.b.

11.... Hubertus sit op de rechtersijde van den broeder / om zijn ouderdom wille schijnende vast oudt te wesen by zijn broeder: hy heeft op t'hooft een vreemde mutse / vooren met een omgeslage opslach van costlijck bont. Ioannes heeft op een seer versierlycke mutse / schier als eenen tulbant achter afhangende hebbende op eenen swarten Tabbaert een root Pater noster / met een medaglie "

Vaernewyck. IV c. 47.

„Ioannes den ioncsten broeder / ende principael meester, is in de zelve tafel geconterfaict rydende te peerde, met een rooden Paternoster / op zwarte cleederen / ende Hubertus om zijn ouderdom zitt op een peert neffens hem ter rechter handt."

De Heere:

„ Een pater noster roodt draeght hy op swarte cleeren,

Hubert rijdt boven hem als oudste Broer bekent.

De beschrijving van mutsen en „medaglie" schijnt gegeven te zijn naar de koperdrukken in de verzameling van Lampsonius.

Sluiten