Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Marcus van Vaernewijck.

Dat van Mander, Vaernewijck persoonlijk heeft leeren kennen als den ouderen vriend van Lucas de Heere, toen deze in 1566 zijn leermeester was, is waarschijnlijk (bldz. 9). Te meer te verwonderen is het derhalve, dat van Mander Vaernewijck nergens als bron voor de levensbeschrijvingen van de van Eycks, Rogier van der Weyden en Hugo van der Goes noemt, hoewel zich de herkomst veler bijzonderheden uit de Historie van Belgis duidelijk bewijzen laat.

Schaamde van Mander zich misschien te bekennen, geput te hebben uit een werk, reeds voor die tijden 'zóó belachlijk onkritisch en grotesk, dat Sanderus reeds kort na Vaernewijck's dood een vernietigend vonnis over dit werk uitspreken moest? Onloochenbaar evenwel is het, dat hierbij het kind met het waschwater werd uitgegooid en de berichten over de Gentsche toestanden al met evenveel minachting ter zijde werden gelegd als de malle compilaties van sagen, mythen, sprookjes en wonderverhalen in de twee eerste boeken. En dit is onverdiend: de capita 47, 48, 49, 60 en 61 van het IVe boek bevatten veel, wat tot op heden kunsthistorische waarde heeft, doordien de beschrijvingen van schilderijen alle op autopsie, en de mededeelingen op eigen onderzoek en herinnering berusten.

Mogelijk is ook, dat van Mander zijn bron ongenoemd laat omdat de Historie van Belgis zonder naam van den auteur uitkwam.

Slechts tweemaal schijnt van Mander toespeling te maken op de Historie van Belgis, en wel:

fol. 200a: „E enige meenë / dat Hubertus dese

Sluiten