Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Omdat van Mander een kind van zijn tijd is, moet ook de van Vaernewijck overgenomen mededeeling, dat Jan van Eyck „tot eenen eymelickë raet van zijnder maiesteyt gemaeckt" is, opgesmukt worden met een sierlijk: „gelyck den grooten Alexander oock den uytnemenden Apelles geern hadde." Wij worden evenwel later met bijna dezelfde bewoordingen in kennis gesteld van dezelfde verhouding tusschen van Mander en Wyntgis, Rudolf II en Spranger en Hans van Aken. — En ten slotte worden ook Venus, Cupido en de Gratiën opgeroepen om „de Pinceelen te helpen stieren" van Hugo van der Goes, als Vaernewijck volstaat met „de Liefde hem te constigher dede wercken."

Een derde verschilpunt, meer voortspruitend uit beider uiteenloopende persoonlijkheid en karakter, is de meerdere omzichtigheid , waarmede van Mander zijn bronnen blijkt te raadplegen. Reeds is gewezen op de plaatsen waar van Mander een soort kritiek, doch zonder argumentatie, op Vaernewijck ten beste geeft. Bovendien schijnt van Mander nu en dan wel wat te twijfelen aan de autoriteit van een oud verhaal: dan aarzelt hij en laat Vaernevvijck's mededeeling achterwege. Zoo bijvoorbeeld geeft Vaernewijck in den ruwe geschat de waarde van het verdwenen voetstuk van den Agnus Dei en de tafel, n.1. „tgoud datmen daerop ghesmeedt zoude connen leghen." Nu zal van Mander deze opgave wel wat al te vaag geacht hebben, daar niemand meer na kon gaan hoe groot dat voetstuk was.

Maar in één geval dekt hij zich met een niets zeggend „men zegt".... op gezag van Vaernewijck; n.1. bij de beschrijving van het schilderwerk van Hugo van der Goes te Brugge: Vaernewijck vertelt dat „men zecht" dat deze „daer ten huyze een dochter vrijdde"; van Mander: „hier oock het affect der Liefde (so men seght) mede in wrocht."

Bij een zóó slaafsche naschrijving van zijn „zeg"sman, hadden we toch wel een vermelding van die bron mogen verwachten!

Sluiten