Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Sy hem vermaenden vast, en porden om te spreken. Den Coschen Constenaer, met droef en swaer ghesucht,

Werdt uyt een diepe borst de stem oock uyt te breken, En seyde: O ghy eylaes! onwetend van t' gherueht,

Dat uyt de Weerelt quam nu corts in d'helsche wonsten: Och gave slechts maer Godt, dat waer een valsche clucht: Dat onder t sterflijck volck een met de cracht der consten Ons toont gantsch niet te sijn, dan schilders met den naem, (Om recht te spreken uyt, uyt jonsten noch afjonsten) Het schijnt my waren noyt hervaren, noch bequaem Te handelen Pinceel oft verwe in onse tijden.

En Holbeen heet den Man, jae Holbius

Eveneens vertaalt hij het op dit lofvers volgende Grieksche distichon:

fi- %ev ièstv etou^oc QsAsiq èinrvolnv c/xolot;

'OA(3ïxk%; 'épyov ospKeo roGroxepó

Sluiten